Oefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 2: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Accueil - Prendre un rendez-vous
Vul de lege plekken in: quand, où, Comment, pourquoi, répéter, Pardon
(Receptie – Een afspraak maken)
Pour prendre un rendez-vous, contactez le secrétariat médical. Indiquez votre nom et le médecin que vous souhaitez voir. Le secrétariat peut demander : vous habitez, vous êtes disponible et vous appelez. Pour confirmer, vous recevez un SMS.
Si vous ne comprenez pas, dites : « ? » ou « Vous pouvez s'il vous plaît ? ». Si vous cherchez le cabinet, demandez : « puis-je y aller ? ».Om een afspraak te maken, neemt u contact op met de medische administratie. Geef uw naam en de naam van de arts die u wilt zien. De administratie kan vragen waar u woont, wanneer u beschikbaar bent en waarom u belt. Ter bevestiging ontvangt u een sms.
Als u het niet begrijpt, zegt u: « Pardon? » of « Kunt u dat alstublieft herhalen? ». Als u het praktijkadres zoekt, vraagt u: « Waar is de ingang? » of « Hoe kom ik er? ».
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Quand est le rendez-vous ?
Que demande la personne ?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Où est-ce que je ___ des informations pour ma carte de transport ?
(Waar ___ ik informatie voor mijn vervoerkaart?)2. Pourquoi est-ce que vous ___ « Pardon ? » quand vous ne comprenez pas ?
(Waarom ___ u "Pardon?" wanneer u het niet begrijpt?)3. Combien de minutes tu ___ au téléphone pendant la pause ?
(Hoeveel minuten ___ je de telefoon tijdens de pauze?)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Vous êtes à l’accueil d’un cabinet médical. Vous voulez prendre un rendez‑vous. Posez une question simple à la secrétaire. (Utilisez : Quand ?, un rendez‑vous, s’il vous plaît)
(U staat bij de receptie van een dokterspraktijk. U wilt een afspraak maken. Stel een eenvoudige vraag aan de secretaresse. (Gebruik: Wanneer?, een afspraak, alstublieft))Quand est-ce que
(Wanneer kan ...)Voorbeeld:
Bonjour, quand est-ce que je peux avoir un rendez‑vous, s’il vous plaît ?
(Hallo, wanneer kan ik een afspraak maken, alstublieft?)2. Au bureau, vous ne comprenez pas un mot dans un e‑mail. Vous demandez à un collègue. (Utilisez : Qu’est-ce que…, veut dire, aider)
(Op kantoor begrijpt u een woord in een e-mail niet. U vraagt het aan een collega. (Gebruik: Wat betekent..., betekenen, helpen))Qu’est-ce que ça veut dire
(Wat betekent ...)Voorbeeld:
Pardon, qu’est‑ce que ça veut dire « devis » ? Tu peux m’aider ?
(Pardon, wat betekent «devis»? Kun je mij helpen?)Oefening 7: Correspondentie schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
Salut ! C'est Camille. J'ai un rendez-vous à la clinique demain, mais je ne suis pas sûre.
- Où est l'entrée ?
- Quand tu arrives ?
- Combien de temps avant le rendez-vous faut-il venir ?
Tu peux m'aider ? Merci !
Hoi! Met Camille. Ik heb morgen een afspraak in de kliniek, maar ik weet het nog niet zeker.<\/p>
- Waar is de ingang?
- Wanneer kom jij aan?
- Hoeveel tijd vóór de afspraak moet ik er zijn?
<\/ul>Kun je me helpen? Dank je!
Nuttige zinnen:
-
L'entrée est... (à droite / à gauche / devant...)
(De ingang is... (aan de rechterkant / aan de linkerkant / vooraan...))
-
J'arrive à... / Je peux arriver à...
(Ik kom om... / Ik kan om... komen)
-
Tu peux venir ... minutes avant.
(Je kunt ... minuten voor de afspraak komen.)
Hoi Camille, ja, ik kan je helpen. De ingang is in de Rue de la République, naast de apotheek. Ik kom om 9:40. Je kunt 15 minuten voor de afspraak komen voor de receptie. Als je wilt, kan ik het nog even telefonisch herhalen. Tot morgen!