A1.18 - Dingen vragen
A1.18 - Dingen vragen

A1.18 - Dingen vragen - Oefeningen

Poser des questions


Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Où est-ce que tu cherches la salle de réunion ? (Waar ben je naar op zoek naar de vergaderruimte?)
Combien ça coûte ce ticket de métro ? (Hoeveel kost dat metrokaartje?)
Pardon, vous pouvez répéter s'il vous plaît ? (Pardon, kunt u dat alstublieft herhalen?)
Qu'est-ce que ça veut dire « justificatif de domicile » ? (Wat betekent « bewijs van adres »?)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Accueil - Prendre un rendez-vous

Vul de lege plekken in: quand, où, Comment, pourquoi, répéter, Pardon

(Receptie – Een afspraak maken)

Pour prendre un rendez-vous, contactez le secrétariat médical. Indiquez votre nom et le médecin que vous souhaitez voir. Le secrétariat peut demander : vous habitez, vous êtes disponible et vous appelez. Pour confirmer, vous recevez un SMS.

Si vous ne comprenez pas, dites : « ? » ou « Vous pouvez s'il vous plaît ? ». Si vous cherchez le cabinet, demandez : « puis-je y aller ? ».
Om een afspraak te maken, neemt u contact op met de medische administratie. Geef uw naam en de naam van de arts die u wilt zien. De administratie kan vragen waar u woont, wanneer u beschikbaar bent en waarom u belt. Ter bevestiging ontvangt u een sms.

Als u het niet begrijpt, zegt u: « Pardon? » of « Kunt u dat alstublieft herhalen? ». Als u het praktijkadres zoekt, vraagt u: « Waar is de ingang? » of « Hoe kom ik er? ».

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Bonjour, c'est le cabinet du docteur Martin. Votre rendez-vous est demain à 9 h 30, à Paris 12. Si vous ne pouvez pas venir, appelez-nous s'il vous plaît.

Quand est le rendez-vous ?

(Wanneer is de afspraak?)
2. Bonjour. Je cherche une recharge pour la carte de transport. Pardon, combien ça coûte pour une semaine ? Je paie par carte, ça vous va ?

Que demande la personne ?

(Wat vraagt de persoon?)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Où est-ce que je ___ des informations pour ma carte de transport ?

(Waar ___ ik informatie voor mijn vervoerkaart?)

2. Pourquoi est-ce que vous ___ « Pardon ? » quand vous ne comprenez pas ?

(Waarom ___ u "Pardon?" wanneer u het niet begrijpt?)

3. Combien de minutes tu ___ au téléphone pendant la pause ?

(Hoeveel minuten ___ je de telefoon tijdens de pauze?)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Vous êtes à l’accueil d’un cabinet médical. Vous voulez prendre un rendez‑vous. Posez une question simple à la secrétaire. (Utilisez : Quand ?, un rendez‑vous, s’il vous plaît)

(U staat bij de receptie van een dokterspraktijk. U wilt een afspraak maken. Stel een eenvoudige vraag aan de secretaresse. (Gebruik: Wanneer?, een afspraak, alstublieft))

Quand est-ce que    

(Wanneer kan ...)

Voorbeeld:

Bonjour, quand est-ce que je peux avoir un rendez‑vous, s’il vous plaît ?

(Hallo, wanneer kan ik een afspraak maken, alstublieft?)

2. Au bureau, vous ne comprenez pas un mot dans un e‑mail. Vous demandez à un collègue. (Utilisez : Qu’est-ce que…, veut dire, aider)

(Op kantoor begrijpt u een woord in een e-mail niet. U vraagt het aan een collega. (Gebruik: Wat betekent..., betekenen, helpen))

Qu’est-ce que ça veut dire    

(Wat betekent ...)

Voorbeeld:

Pardon, qu’est‑ce que ça veut dire « devis » ? Tu peux m’aider ?

(Pardon, wat betekent «devis»? Kun je mij helpen?)

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Salut ! C'est Camille. J'ai un rendez-vous à la clinique demain, mais je ne suis pas sûre.

  • est l'entrée ?
  • Quand tu arrives ?
  • Combien de temps avant le rendez-vous faut-il venir ?

Tu peux m'aider ? Merci !


Hoi! Met Camille. Ik heb morgen een afspraak in de kliniek, maar ik weet het nog niet zeker.<\/p>

  • Waar is de ingang?
  • Wanneer kom jij aan?
  • Hoeveel tijd vóór de afspraak moet ik er zijn?
  • <\/ul>

    Kun je me helpen? Dank je!


Nuttige zinnen:

  1. L'entrée est... (à droite / à gauche / devant...)

    (De ingang is... (aan de rechterkant / aan de linkerkant / vooraan...))

  2. J'arrive à... / Je peux arriver à...

    (Ik kom om... / Ik kan om... komen)

  3. Tu peux venir ... minutes avant.

    (Je kunt ... minuten voor de afspraak komen.)

Salut Camille, oui je peux t'aider. L'entrée est rue de la République, à côté de la pharmacie. J'arrive à 9h40. Tu peux venir 15 minutes avant le rendez-vous pour l'accueil. Si tu veux, je peux répéter au téléphone. À demain !

Hoi Camille, ja, ik kan je helpen. De ingang is in de Rue de la République, naast de apotheek. Ik kom om 9:40. Je kunt 15 minuten voor de afspraak komen voor de receptie. Als je wilt, kan ik het nog even telefonisch herhalen. Tot morgen!