Le participe passé est une forme verbale utilisée pour indiquer qu'une action est accomplie ou terminée.
(Het voltooid deelwoord is een werkwoordsvorm die wordt gebruikt om aan te geven dat een handeling uitgevoerd of afgerond is.)
- Met het voltooid deelwoord kun je de passé composé vormen door het hulpwerkwoord 'être' of 'avoir' toe te voegen.
| Terminaisons | Exemples (Voorbeelden) | Exemples | |
| Réguliers (Regelmatig) | -er-é -ir-i -re-u | Manger (Eten)Mangé (Gegeten ) Finir (Eindigen)Fini (Geëindigd ) Boire (Drinken)Bu (Gedronken ) | Hier, j'ai mangé au restaurant. (Gisteren heb ik gegeten in het restaurant.) Tu as fini ton plat ? (Heb je je gerecht op?) Nous avons bu du vin rouge à midi. (Wij hebben om twaalf uur rode wijn gedronken.) |
| Irréguliers (Onregelmatig) | -re-is -re-it -ir-ert | Apprendre (Leren)Appris (Geleerd ) Dire (Zeggen)Dit (Gezegd ) Offrir (Aanbieden)Offert (Aangeboden ) | Vous avez appris à parler français. (U hebt geleerd Frans te spreken.) Qu'est-ce qu'il a dit ? (Wat heeft hij gezegd?) Elle m'a offert une bière. (Zij heeft mij een biertje aangeboden.)
|
| Forme particulière (Bijzondere vorm) | Faire (Doen) | Fait (Gedaan ) | J'ai fait les courses. (Ik heb boodschappen gedaan.) |