A1.40 - Sport en beweging
A1.40 - Sport en beweging

A1.40 - Sport en beweging - Spreken

Sports et exercice


Exercice: Gespreksoefening

  1. Nommez le type de sport et dites si vous le pratiquez en équipe (ou en paire) ou seul. (Noem de sport en zeg of je het in teamverband (of als duo) of alleen doet.)
  2. Faites-vous du sport ? À quelle fréquence ? (Doe je aan sport? Hoe vaak?)
  3. Aimes-tu regarder le sport ? (Hou je van sport kijken?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten