Lessen

Een werkdag veranderen

Een werkdag veranderen

Haal je boek

Twee collega's bespreken een ruildag om hun beschikbaarheid deze week aan te passen.

Pourquoi les jours de la semaine s’appellent lundi, mardi, mercredi, etc…
Waarom heten de dagen van de week maandag, dinsdag, woensdag, enzovoort?

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Je hoeft niet de hele video te begrijpen. Luister naar sleutelwoorden en pak de strekking om aan het geluid van de taal te wennen.
Woord Vertaling
La semaine De week
Les jours de la semaine De dagen van de week
Lundi Maandag
Mardi Dinsdag
Mercredi Woensdag
Jeudi Donderdag
Vendredi Vrijdag
Samedi Zaterdag
Dimanche Zondag
Gratis FR

Audio voorbereiden…

FR + NL

Audio voorbereiden…

Dans une semaine, il y a les jours de la semaine : lundi, mardi, mercredi, jeudi, vendredi, samedi et dimanche. Ces noms viennent des astres : la Lune, Mars, Mercure, Jupiter et Vénus. Le week-end est différent. Le samedi est le jour du repos. Le dimanche est le jour du Seigneur.
Les jours de la semaine s'appellent lundi, mardi, mercredi, etc... (De dagen van de week heten maandag, dinsdag, woensdag, enzovoort...)
Les jours de la semaine font référence aux astres. (De namen van de dagen verwijzen naar hemellichamen.)
Lundi, c'est pour la Lune. (Maandag is naar de Maan vernoemd.)
Mardi, c'est pour Mars. (Dinsdag is naar Mars vernoemd.)
Mercredi, c'est pour Mercure. (Woensdag is naar Mercurius vernoemd.)
Jeudi, c'est pour Jupiter. (Donderdag is naar Jupiter vernoemd.)
Vendredi, c'est pour Vénus. (Vrijdag is naar Venus vernoemd.)
Le week-end, c'est différent. (Het weekend is anders.)
Le samedi, c'est le jour du repos. (Zaterdag is de rustdag.)
Le dimanche, c'est le jour du Seigneur. (Zondag is de dag van de Heer.)

1. À quoi font référence les noms des jours de la semaine ?

(Waar verwijzen de namen van de dagen van de week naar?)

2. Quel astre est associé à mardi ?

(Met welk hemellichaam is dinsdag geassocieerd?)

3. Quel jour est le jour du repos ?

(Welke dag is de rustdag?)

4. Qu'est-ce qui est différent dans la semaine ?

(Wat is anders in de week?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Luister naar sleutelwoorden en de hoofdgedachte. Je hoeft niet elk woord te begrijpen of de vertalingen te onthouden.
Gratis FR

Audio voorbereiden…

FR + NL

Audio voorbereiden…

Deux collègues discutent d’un échange de jour de travail cette semaine

Twee collega’s bespreken een ruil van werkdag deze week
1. Antoine: Bonjour Sophie, est-ce que tu peux me remplacer jeudi ? (Hallo Sophie, kun je me donderdag vervangen?)
2. Sophie: Jeudi ? Oui, je peux travailler ce jour-là. (Donderdag? Ja, ik kan die dag werken.)
3. Antoine: Merci beaucoup ! Je peux prendre ta place mardi ou vendredi. (Heel erg bedankt! Ik kan dinsdag of vrijdag jouw plaats innemen.)
4. Sophie: Je t'en prie. Mardi, ça me va très bien. (Graag gedaan. Dinsdag komt me heel goed uit.)
5. Antoine: Et tu préfères que je te remplace le matin ou l’après-midi ? (En heb je liever dat ik je ’s ochtends of ’s middags vervang?)
6. Sophie: Le matin, car je dépose mes enfants à l'école. (’s Ochtends, want ik breng mijn kinderen naar school.)
7. Antoine: Tu as d’autres jours où tu as besoin d’aide ? (Heb je nog andere dagen waarop je hulp nodig hebt?)
8. Sophie: Peut-être la semaine prochaine. Si j'ai besoin, je te le dis. (Misschien volgende week. Als ik het nodig heb, laat ik het je weten.)

1. Quel jour Sophie propose-t-elle de remplacer Antoine ?

(Welke dag stelt Sophie voor om Antoine te vervangen?)

2. Quel moment de la journée Sophie préfère pour être remplacée ?

(Welk moment van de dag verkiest Sophie om vervangen te worden?)

Frans leren voor beginners: Stap voor stap leren, een A1 cursus met audio

ISBN 979-13-88253-36-2

Deze app ondersteunt dit boek.