A1.22 - Lichaamsdelen
A1.22 - Lichaamsdelen

A1.22 - Lichaamsdelen - Oefeningen

Parties du corps


Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

J'ai mal aux dents, je vais chez le dentiste. (Ik heb tandpijn, ik ga naar de tandarts.)
Je me lave les mains avant de manger. (Ik was mijn handen voordat ik ga eten.)
J'ai mal au dos, je vais me reposer ce soir. (Ik heb pijn in mijn rug, ik ga vanavond uitrusten.)
J'ai les yeux rouges, je suis fatigué. (Mijn ogen zijn rood, ik ben moe.)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Affiche de prévention au bureau : douleurs et gestes simples

Vul de lege plekken in: épaules, yeux, mains, tête, oreille, dos

(Preventiebord op kantoor: pijn en eenvoudige bewegingen)

Affiche RH - Santé au travail

Si vous avez mal au ou aux après l’ordinateur, faites une pause. Levez les , bougez les bras et tournez la doucement. Regardez aussi vos et votre peau : fatigue, rougeur, sécheresse.

Si la douleur est forte ou si vous avez un problème à l’ ou au nez, parlez au médecin du travail. Il peut vous conseiller et proposer un poste mieux adapté.
HR-affiche - Gezondheid op het werk

Als u last heeft van uw rug of schouders na het werken aan de computer, neem dan een pauze. Hef uw handen, beweeg uw armen en draai uw hoofd voorzichtig. Let ook op uw ogen en uw huid: vermoeidheid, roodheid, droogheid.

Als de pijn hevig is of als u een probleem aan het oor of de neus heeft, neem dan contact op met de bedrijfsarts. Die kan u adviseren en een beter aangepaste werkplek voorstellen.

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Bonjour, c'est Claire. Je ne viens pas au bureau ce matin, j'ai mal à la tête et aux yeux. Je vais chez le médecin à dix heures.

Pourquoi Claire ne vient-elle pas au bureau ce matin ?

(Waarom komt Claire vanmorgen niet naar kantoor?)
2. Bonjour. Pour ce gel, mettez-en sur les mains et sur les bras deux fois par jour. Si la peau devient rouge, arrêtez et revenez demain.

Que doit faire la personne avec le gel ?

(Wat moet de persoon met de gel doen?)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Je ___ les noms des parties du corps en français : la tête, le bras et la jambe.

(Ik ___ de namen van de lichaamsdelen in het Frans: het hoofd, de arm en het been.)

2. Vous ___ où vous avez mal : au dos ou à l'épaule ?

(U ___ waar u pijn heeft: in de rug of aan de schouder?)

3. Mon collègue ___ que j'ai mal aux yeux et au nez.

(Mijn collega ___ dat ik pijn aan mijn ogen en aan mijn neus heb.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Vous êtes au travail et vous ne vous sentez pas bien. Dites à votre responsable ce qui ne va pas, simplement. (Utilisez: la tête, j’ai mal, je ne me sens pas bien)

(U bent op uw werk en u voelt zich niet goed. Vertel uw leidinggevende kort wat er aan de hand is. (Gebruik: het hoofd, ik heb pijn, ik voel me niet goed))

J’ai mal à    

(Ik heb pijn aan ...)

Voorbeeld:

Je ne me sens pas bien. J’ai mal à la tête.

(Ik voel me niet goed. Ik heb pijn aan mijn hoofd.)

2. Vous êtes chez le dentiste. Le dentiste vous demande où vous avez mal. Répondez simplement. (Utilisez: la dent, j’ai mal, ici)

(U bent bij de tandarts. De tandarts vraagt waar u pijn heeft. Geef een eenvoudig antwoord. (Gebruik: de tand, ik heb pijn, hier))

J’ai mal à    

(Ik heb pijn aan ...)

Voorbeeld:

J’ai mal à une dent, ici.

(Ik heb pijn aan een tand, hier.)

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Salut ! C'est Claire. On a fait du yoga au bureau ce midi. Maintenant j'ai mal aux épaules et un peu au dos

Tu peux passer chez moi ce soir ? Tu peux me montrer 1 ou 2 étirements simples pour les bras et les mains ? Vers 19h ?


Hoi! Ik ben Claire. We hebben vanmiddag op kantoor yoga gedaan. Nu heb ik pijn aan de schouders en een beetje aan de rug

Kun je vanavond bij mij langskomen? Kun je me één of twee eenvoudige stretching-oefeningen laten zien voor de armen en de handen? Rond 19.00?


Nuttige zinnen:

  1. Je peux venir à … / Je ne peux pas venir à …

    (Ik kan om … komen / Ik kan om … niet komen)

  2. J'ai mal à … / J'ai mal aux …

    (Ik heb pijn aan … / Ik heb pijn aan de … (meervoud))

  3. On peut se voir à … chez toi / chez moi.

    (We kunnen elkaar om … zien bij jou / bij mij.)

Salut Claire ! Oui, je peux passer vers 19h. Moi aussi, j'ai mal aux épaules aujourd'hui. On fera deux étirements simples pour les bras et les mains. À tout à l'heure chez toi !

Hoi Claire! Ja, ik kan rond 19.00 bij je langskomen. Ik heb vandaag ook pijn aan de schouders. We doen twee eenvoudige stretches voor de armen en de handen. Tot straks bij jou!