1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (14)

La faim

La faim Show

De honger Show

La soif

La soif Show

De dorst Show

La fatigue

La fatigue Show

De vermoeidheid Show

La douleur

La douleur Show

De pijn Show

Le sommeil

Le sommeil Show

De slaap Show

Avoir froid

Avoir froid Show

Het koud hebben Show

Avoir chaud

Avoir chaud Show

Het warm hebben Show

Être malade

Être malade Show

Ziek zijn Show

Souffrir

Souffrir Show

Lijden / pijn hebben Show

Trembler

Trembler Show

Trillen Show

Faible

Faible Show

Zwak Show

Fort

Fort Show

Sterk Show

Se reposer

Se reposer Show

Rust nemen Show

Prendre soin de soi

Prendre soin de soi Show

Voor jezelf zorgen Show

3. Grammatica

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Affiche au travail : prendre soin de son corps

Woorden om te gebruiken: se reposer, sommeil, douleur, froid, prendre soin de vous, être malade, chaud, souffrez

(Poster op het werk: zorg voor je lichaam)

Dans notre entreprise, la santé est importante. Si vous avez mal ou si vous êtes très fatigué, dites-le à votre responsable. Si vous avez , mettez un pull. Si vous avez , buvez de l’eau et ouvrez un peu la fenêtre.

Après une longue journée, le corps peut être faible. Vous pouvez avoir du , ressentir une au dos ou aux yeux. Quand vous , faites une pause et marchez cinq minutes. Le soir, il est important de bien pour ne pas . Au travail comme à la maison, prenez le temps de .
In ons bedrijf is gezondheid belangrijk. Als je pijn hebt of erg moe bent, zeg het dan tegen je leidinggevende. Als je het koud hebt, trek een trui aan. Als je het heet hebt, drink water en zet het raam een beetje open.

Na een lange werkdag kan het lichaam zwak aanvoelen. Je kunt slaperig zijn of pijn voelen in je rug of in je ogen. Als je pijn hebt , neem dan een pauze en loop vijf minuten. ’s Avonds is het belangrijk goed te rusten om niet ziek te worden . Op het werk en thuis: neem de tijd om voor jezelf te zorgen .

  1. Quand le texte conseille-t-il d’ouvrir la fenêtre au travail ?

    (Wanneer raadt de tekst aan het raam op het werk te openen?)

  2. Que recommande le texte si vous souffrez pendant la journée ?

    (Wat raadt de tekst aan als je pijn hebt tijdens de werkdag?)

  3. Qu’est-ce que vous faites le soir pour vous reposer après le travail ?

    (Wat doe je ’s avonds om uit te rusten na het werk?)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Ce soir, je veux juste me reposer. (Vanavond, ik wil gewoon even uitrusten.)
Au bureau, je souffre souvent de maux de dos. (Op kantoor, ik heb vaak last van mijn rug.)
Après cette longue réunion, je me sens très fatigué. (Na die lange vergadering, voel ik me erg moe.)
Quand j'ai trop chaud, je bois de l'eau fraîche. (Als ik het te warm heb, drink ik graag koud water.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Aujourd’hui je suis très malade, je ___ beaucoup de la tête.

(Vandaag ben ik erg ziek; ik ___ veel hoofdpijn.)

2. Après une longue journée de travail devant l’ordinateur, nous ___ une heure sur le canapé.

(Na een lange werkdag achter de computer ___ we een uur op de bank.)

3. Toi, tu ne ___ pas du dos, mais moi je souffre souvent des épaules.

(Jij ___ geen rugklachten, maar ik heb vaak pijn aan mijn schouders.)

4. Le soir, quand vous êtes très fatigués, vous ___ dans le salon et vous buvez une tisane.

('s Avonds, wanneer jullie erg moe zijn, ___ jullie in de woonkamer en drinken jullie een kruidenthee.)

Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Tu es au travail et il est 12h30. Tu parles avec un collègue et tu expliques que tu veux faire une pause pour manger. Dis comment tu te sens. (Utilise : la faim, j’ai très faim, je veux manger.)

(Je bent op het werk en het is 12:30. Je praat met een collega en legt uit dat je een pauze wilt nemen om te eten. Zeg hoe je je voelt. (Gebruik: la faim, j’ai très faim, je veux manger.))

J’ai faim,  

(J’ai faim, ...)

Voorbeeld:

J’ai faim, je veux manger quelque chose maintenant.

(J’ai faim, je veux manger quelque chose maintenant.)

2. Tu es dans un café avec une amie après le travail. Il fait chaud et tu veux boire quelque chose. Dis comment tu te sens et ce que tu veux. (Utilise : la soif, j’ai soif, une boisson.)

(Je zit in een café met een vriendin na het werk. Het is warm en je wilt iets drinken. Zeg hoe je je voelt en wat je wilt. (Gebruik: la soif, j’ai soif, une boisson.))

J’ai soif,  

(J’ai soif, ...)

Voorbeeld:

J’ai soif, je voudrais une boisson fraîche, s’il te plaît.

(J’ai soif, je voudrais une boisson fraîche, s’il te plaît.)

3. Tu parles avec ton responsable après une longue journée de travail. Tu expliques que tu es très fatigué(e) et que tu veux rentrer. (Utilise : la fatigue, je suis fatigué(e), je veux me reposer.)

(Je praat met je leidinggevende na een lange werkdag. Je legt uit dat je erg moe bent en naar huis wilt gaan. (Gebruik: la fatigue, je suis fatigué(e), je veux me reposer.))

Je suis fatigué(e),  

(Je suis fatigué(e), ...)

Voorbeeld:

Je suis fatigué(e), je veux rentrer à la maison et me reposer un peu.

(Je suis fatigué(e), je veux rentrer à la maison et me reposer un peu.)

4. Tu es chez le médecin en France. Tu expliques que tu as mal au dos quand tu travailles longtemps à l’ordinateur. (Utilise : la douleur, j’ai mal, le dos.)

(Je bent bij de dokter in Frankrijk. Je legt uit dat je last hebt van je rug als je lang achter de computer werkt. (Gebruik: la douleur, j’ai mal, le dos.))

J’ai mal  

(J’ai mal ...)

Voorbeeld:

J’ai mal au dos quand je travaille longtemps sur l’ordinateur.

(J’ai mal au dos quand je travaille longtemps sur l’ordinateur.)

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 3 of 4 zinnen om uit te leggen hoe je je voelt na een werkdag en wat je doet om voor je lichaam te zorgen.

Nuttige uitdrukkingen:

Après le travail, je me sens… / J’ai souvent… (faim, soif, sommeil, douleur…) / Pour me reposer, je… / Je prends soin de moi quand je…

Exercice 7: Gespreksoefening

Instruction:

  1. Comment les gens se sentent-ils dans ces situations ? (Hoe voelen de mensen zich in die situaties?)
  2. Dis comment tu te sens en utilisant le vocabulaire. (Vertel hoe je je voelt met behulp van de woordenschat.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Il est épuisé.

Hij is uitgeput.

Je me sens fatigué le matin.

Ik voel me moe in de ochtend.

Je me sens épuisé après le travail.

Ik voel me uitgeput na werk.

J'ai besoin de boire quelque chose.

Ik moet iets drinken.

J'ai soif.

Ik heb dorst.

J'ai faim.

Ik heb honger.

Elle a froid.

Zij heeft het koud.

Je me sens chaud.

Ik voel me warm.

...