Voorzetsels van tijd: "En, À, Avant, Après"

Les prépositions de temps: "En, À, Avant, Après"


"En, À, Avant, Après" sont des prépositions de temps.

( "En, À, Avant, Après" zijn tijdsvoorzetsels.)

Wanneer gebruik je en, à, avant, après?

Deze vier woorden helpen je om tijd precies te plaatsen.

Wat wil je zeggen? Frans Voorbeeld
Maand / seizoen en Je pars en septembre. / On part en été.
Precies uur / exact moment à La réunion est à 14 h. / Rendez-vous à midi.
Eerst… dan… avant / après Avant la réunion, je lis le dossier.
Après la réunion, j’envoie un e-mail.

En + maand/seizoen (denk: “in”)

  • Gebruik en voor maanden en seizoenen.
  • Het lidwoord valt weg: niet “in de zomer”, maar gewoon “in zomer”.

Goed: Nous partons en juillet. / Je travaille mieux en hiver.

Typische fout: à juilleten juillet

À + exact uur (denk: “om”)

  • Gebruik à voor een precies tijdstip: uur, halfuur, “midi”, “minuit”.
  • In het Frans staat er meestal geen “om” erbij: à is genoeg.

Goed: Le train part à 9 h 15. / Rendez-vous à midi.

Typische fout: en 14 hà 14 h

Avant en après: volgorde in de tijd

  • avant = eerst, daarvoor
  • après = daarna
  • Vaak gevolgd door een zelfstandig naamwoord: le travail, la réunion, le film
Frans Betekenis
Avant le travail voor het werk
Après le déjeuner na de lunch

Let op: bij een werkwoord gebruik je vaak avant de / après avoir (later op A2). Voor A1 is avant/après + activiteit/naamwoord perfect.

Extra aandacht: à (voorzetsel) ≠ a (werkwoord)

  • à met accent = voorzetsel (tijd/plaats): à midi, à Paris
  • a zonder accent = werkwoord avoir (hij/zij heeft): Il a un rendez-vous.

Snelle check: kun je vervangen door “heeft”? Dan is het a (zonder accent).

Snelle zelfcheck (in 10 seconden)

  1. Gaat het om maand of seizoen? → en
  2. Gaat het om een exact uur? → à
  3. Gaat het om voor/na een activiteit? → avant / après
  4. Twijfel tussen à en a? → a = heeft
  1. "En" wordt gebruikt voor maanden en seizoenen.
  2. "À" wordt gebruikt voor precieze tijdstippen.
  3. We gebruiken "avant" en "après" om een volgorde in de tijd aan te geven.
Préposition (Voorzetsel)Exemple (Voorbeeld)
En (In)Nous partons en juillet. (We vertrekken in juli.)
À (Om)Rendez-vous à midi. (Afspraak om twaalf uur.)
Avant (Voor)Nous partons avant l'école. (We vertrekken voor school.)
Après (Na)Je me couche après le film. (Ik ga naar bed na de film.)

Uitzonderingen!

  1. Let op: verwar à (voorzetsel) niet met a (3e persoon enkelvoud van het werkwoord avoir in de tegenwoordige tijd).

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Nous partons ___ juillet ; il fait souvent beau à Paris.

We vertrekken ___ juli; het is vaak mooi weer in Parijs.

2. Rendez-vous ___ midi : après, on regarde la météo.

Afspraak ___ twaalf uur: daarna kijken we naar het weerbericht.

3. ___ le travail, je regarde s'il pleut.

___ het werk, check ik of het regent.

4. ___ le film, il fait froid et il y a du vent.

___ de film, is het koud en waait het.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf elke zin door de juiste tijdsvoorzetsel te kiezen: en / à / avant / après.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Je pars ___ septembre.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je pars en septembre.
    (Je pars en septembre.)
  2. La réunion est ___ 14 h.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    La réunion est à 14 h.
    (La réunion est à 14 h.)
  3. Je prends un café ___ le travail.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je prends un café avant le travail.
    (Je prends un café avant le travail.)
  4. Je réponds aux e-mails ___ la réunion.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je réponds aux e-mails après la réunion.
    (Je réponds aux e-mails après la réunion.)
  5. Nous sommes en avril. Nous partons ___ été.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Nous sommes en avril. Nous partons en été.
    (Nous sommes en avril. Nous partons en été.)
  6. Tu arrives ___ 9 h et tu pars ___ le déjeuner.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Tu arrives à 9 h et tu pars après le déjeuner.
    (Tu arrives à 9 h et tu pars après le déjeuner.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Kies per tweetal het beste moment en de beste plek op basis van het weer.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Au bureau, vous organisez une sortie d’équipe selon la météo de la semaine.
(Op kantoor organiseer je een teambijeenkomst volgens het weer van de week.)

Bespreek
  • Quel temps fait-il aujourd’hui et à quelle heure pouvez-vous sortir ? (Wat voor weer is het vandaag en hoe laat kunnen jullie naar buiten?)
  • En quel mois ou quelle saison voulez-vous organiser la sortie et pourquoi ? (soleil, pluie, vent) (In welke maand of welk seizoen willen jullie het uitje organiseren en waarom? (zon, regen, wind))

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Il fait beau / Il fait mauvais (Het is mooi weer / Het is slecht weer)
  • En juillet il fait chaud (In juli is het warm)
  • À midi il y a du soleil (Om twaalf uur is er zon)

Gebruik in gesprek
  • en + mois/saison (in + maand/seizoen)
  • à + heure (om + uur)
  • avant / après + activité (voor / na + activiteit)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Alessia Calcagni

Talen voor communicatie in internationale ondernemingen en organisaties

Università degli Studi di Modena e Reggio Emilia

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 11/03/2026 10:29