Oefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 2: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Agenda d’entreprise : jours de fermeture 2026
Vul de lege plekken in: chaud, janvier, préférons, période, froid, août, février, attendre, juillet
(Bedrijfskalender: sluitingsdagen 2026)
Service RH — Notre bureau est fermé une semaine en . En , il est ouvert mais il fait souvent très . En et en , il peut faire : prévoyez un manteau. Au printemps, de mars à mai, la est agréable pour un déplacement. En automne, en septembre et en octobre, il y a parfois de la pluie. Pour un rendez-vous, nous le printemps ou septembre. Merci d’ la confirmation par e-mail.HR-afdeling — Ons kantoor is één week gesloten in augustus. In juli is het geopend, maar het is vaak erg warm. In januari en februari kan het koud zijn: neem een jas mee. In het voorjaar, van maart tot mei, is het een prettige periode voor een afspraak. In de herfst, in september en oktober, valt er soms regen. Voor een afspraak geven wij de voorkeur aan het voorjaar of aan september. Bedankt om de bevestiging per e-mail af te wachten.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Quand Claire prend-elle ses vacances ?
Quel temps annonce la météo ?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. En juillet, je ___ partir en vacances en France.
(In juli ___ ik het liefst op vakantie naar Frankrijk.)2. En hiver, tu ___ les journées plus calmes à la maison.
(In de winter ___ je liever rustigere dagen thuis.)3. En mars, nous ___ organiser la réunion le matin.
(In maart ___ wij het liefst de vergadering 's ochtends.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Au travail, un collègue propose une réunion. Demandez quel mois convient et dites quel mois vous préférez. (Utilisez : le mois, en…, je préfère…)
(Op het werk stelt een collega een vergadering voor. Vraag welke maand het beste uitkomt en zeg welke maand jij verkiest. (Gebruik: le mois, en…, je préfère… ))Je préfère
(Je préfère ...)Voorbeeld:
Je préfère en avril. Quel mois vous va ?
(Je préfère en avril. Quel mois vous va ?)2. Vous arrivez à un rendez‑vous et on vous demande pourquoi vous êtes un peu en avance. Dites quel mois on est et comment est le temps. (Utilisez : en…, il fait…, le mois)
(Je komt aan bij een afspraak en men vraagt waarom je een beetje te vroeg bent. Zeg welke maand het is en hoe het weer is. (Gebruik: en…, il fait…, le mois))En ,
(En ...,)Voorbeeld:
En janvier, il fait très froid. Je suis un peu en avance.
(En janvier, il fait très froid. Je suis un peu en avance.)Oefening 7: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf een korte e-mail (3 of 4 regels) naar de HR-afdeling om een afspraak te vragen: vermeld de maand die u verkiest en waarom (weersomstandigheden).
Nuttige uitdrukkingen:
Je préfère… / En …, il fait… / Je suis disponible en… / Merci pour votre confirmation.