Oefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 2: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Newsletter de l’entreprise : calendrier des vacances
Vul de lege plekken in: hiver, juillet, décembre, novembre, septembre, printemps, automne, avril, été
(Nieuwsbrief van het bedrijf: vakantiekalender)
Notre entreprise prépare le calendrier des vacances pour l’année. En , il y a beaucoup de travail, alors peu de personnes partent en congé en janvier et en février. Au , en mars et en , certains collègues prennent une semaine pour profiter du temps plus doux.
En , beaucoup d’employés sont en vacances en et en août, parce qu’il fait chaud et les journées sont longues. En , l’équipe revient au bureau et commence de nouveaux projets. En , en octobre et en , le temps est plus froid et il pleut souvent. En , certains préfèrent rester en famille pour les fêtes de fin d’année.Ons bedrijf stelt de vakantiekalender voor het jaar op. In de winter is er veel werk, dus vertrekken weinig mensen met vakantie in januari en februari. In de lente , in maart en in april , nemen sommige collega’s een week vrij om van het zachtere weer te genieten.
In de zomer zijn veel medewerkers met vakantie in juli en augustus , omdat het warm is en de dagen lang zijn. In september komt het team weer naar kantoor en begint men aan nieuwe projecten. In de herfst , in oktober en in november , is het kouder en regent het vaak. In december blijven sommigen liever thuis bij familie voor de eindejaarsfeesten.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Quand Marc part-il en vacances ?
Quelle période l’agence recommande-t-elle pour cette offre ?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. En été, nous ___ souvent en vacances en juillet.
(In de zomer gaan wij ___ vaak op vakantie in juli.)2. En hiver, je ___ rester à la maison quand il fait très froid.
(In de winter blijf ik ___ liever thuis als het erg koud is.)3. En avril, vous ___ souvent au bureau à pied parce qu’il fait beau.
(In april loopt u ___ vaak te voet naar kantoor omdat het mooi weer is.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Ton manager te demande quand tu veux prendre tes vacances cette année. Réponds et dis dans quel mois tu préfères partir. (Utilise : les vacances, préférer, un mois, par exemple en juillet / en août)
(Je manager vraagt wanneer je dit jaar met vakantie wilt. Antwoord en zeg in welke maand je het liefst vertrekt. (Gebruik: de vakantie, liever hebben/verkiezen, een maand, bijvoorbeeld in juli / in augustus))Je préfère
(Ik ga liever ... / Ik verkies ...)Voorbeeld:
Je préfère les vacances en août.
(Ik ga het liefst met vakantie in augustus.)2. Tu es chez le médecin. Il veut fixer un prochain rendez-vous en hiver. Dis quel mois d’hiver est bien pour toi. (Utilise : l’hiver, un mois d’hiver, par exemple en janvier / en février)
(Je bent bij de dokter. Hij wil een volgende afspraak in de winter plannen. Zeg welke wintermaand jou goed uitkomt. (Gebruik: de winter, een wintermaand, bijvoorbeeld in januari / in februari))En hiver,
(In de winter ...)Voorbeeld:
En hiver, janvier est bien pour moi.
(In de winter komt januari goed uit voor mij.)Oefening 7: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen om uit te leggen wanneer je gedurende het jaar op vakantie gaat en wat je in de zomer of in de winter doet.
Nuttige uitdrukkingen:
Je préfère partir en vacances en… / En été / En hiver, il fait… / Je prends mes vacances en… / Avec ma famille / mes amis, je vais…