A1.3 - Waar kom je vandaan? - Oefeningen
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Toon antwoordenOefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Oefening 3:
Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Quelle est la nationalité d'Anna ?
2. D'où vient Marco ?
Oefening 4: Werkwoordsvervoegingen
Instructie: Kies de juiste oplossing
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Bonjour, je m’appelle Lina et j’___ à Paris.
(Hallo, ik heet Lina en ik ___ in Parijs.)2. Vous ___ en France ou en Belgique ?
(U ___ in Frankrijk of in België?)3. Je ___ en Allemagne, mais je travaille en France.
(Ik ___ in Duitsland, maar ik werk in Frankrijk.)
Oefening 5:
Dialoogbegrip
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Accueil d’un nouveau consultant
Claire (RH): Show Bonjour, je m’appelle Claire. Vous venez d’où ?
(Hallo, ik heet Claire. Waar komt u vandaan?)
Marco (consultant): Show Bonjour. Je viens d’Italie, je suis italien.
(Hallo. Ik kom uit Italië, ik ben Italiaan.)
Claire (RH): Show Ah d’accord ! Moi, je viens de France, je suis française.
(Ah oké! Ik kom uit Frankrijk, ik ben Française.)
Marco (consultant): Show Enchanté, Claire.
(Aangenaam, Claire.)
Open vragen:
1. D'où vient Marco ?
Waar komt Marco vandaan?
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Vous êtes à un petit événement au travail. Présentez-vous à un nouveau collègue et demandez-lui d'où il vient. (Utilisez : D'où venez-vous ?, le pays, le pays d'origine)
(U bent op een klein werkbijeenkomst. Stel uzelf voor aan een nieuwe collega en vraag waar hij/zij vandaan komt. (Gebruik: D'où venez-vous ?, het land, het land van herkomst))D'où venez-vous
(D'où venez-vous ...)Voorbeeld:
Bonjour, je m'appelle Sarah. D'où venez-vous ?
(Bonjour, ik heet Sarah. D'où venez-vous ?)2. Dans un cours de français, un autre étudiant vous demande : « Vous êtes de quel pays ? ». Répondez simplement et dites votre nationalité. (Utilisez : le pays d'origine, la nationalité, je suis ...)
(In een Franse les vraagt een medestudent u: « Vous êtes de quel pays ? ». Antwoord kort en geef uw nationaliteit. (Gebruik: het land van herkomst, de nationaliteit, ik ben ...))Je suis
(Je suis ...)Voorbeeld:
Je suis italienne. Mon pays d'origine, c'est l'Italie.
(Je suis italienne. Mon pays d'origine, c'est l'Italie.)Frans leren voor beginners: Stap voor stap leren, een A1 cursus met audio
ISBN 979-13-88253-36-2
Deze app ondersteunt dit boek.