Oefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 2: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Affichage interne : planning de la semaine
Vul de lege plekken in: après‑midi, Lundi, Aujourd’hui, matin, semaine, jour‑là, week‑end
(Interne weergave: weekplanning)
Cette , l’équipe organise des réunions sur place. et mercredi : point projet le . Mardi : visite client l’ . Jeudi : formation le soir. Vendredi : travail calme, pas de réunion. Le , le bureau est fermé. , regardez le tableau à l’entrée et notez votre présence. Si vous ne pouvez pas venir ce , merci d’envoyer un message pour organiser un autre moment. Demain, le planning est le même.Deze week organiseert het team vergaderingen op kantoor. Maandag en woensdag: projectoverleg in de ochtend. Dinsdag: klantbezoek in de middag. Donderdag: training in de avond. Vrijdag: rustig werk, geen vergadering. In het weekend is het kantoor gesloten.
Kijk vandaag naar het bord bij de ingang en noteer of je aanwezig bent. Als je die dag niet kunt komen, stuur dan een bericht om een ander moment af te spreken. Morgen is het rooster hetzelfde.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Quand est le rendez-vous ?
Que fait‑il ce lundi ?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Le lundi matin, j'___ cette réunion avec mon équipe.
(Maandagochtend organiseer ik ___ deze vergadering met mijn team.)2. Le mardi après-midi, tu ___ ces activités pour la semaine.
(Dinsdagnamiddag organiseer jij ___ deze activiteiten voor de week.)3. Le mercredi soir, je ___ cet ami au café.
(Woensdagavond zie ik ___ die vriend in het café.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Au travail, un collègue veut fixer une réunion. Réponds et propose un jour simple. (Utilise : lundi, la réunion, c’est possible)
(Op het werk wil een collega een vergadering plannen. Reageer en stel één eenvoudige dag voor. (Gebruik: lundi, la réunion, c'est possible))Lundi, c’est
(Lundi, c'est ...)Voorbeeld:
Lundi, c’est possible pour moi. La réunion le matin me convient.
(Lundi, c'est possible pour moi. La réunion le matin me convient.)2. Tu appelles le cabinet médical pour prendre un rendez-vous. Dis quel moment de la journée tu préfères. (Utilise : le matin, un rendez-vous, je préfère)
(Je belt de dokterspraktijk om een afspraak te maken. Zeg welk moment van de dag je verkiest. (Gebruik: le matin, un rendez-vous, je préfère))Je préfère le matin
(Je préfère le matin ...)Voorbeeld:
Bonjour, je voudrais un rendez-vous. Je préfère le matin, si possible.
(Bonjour, je voudrais un rendez-vous. Je préfère le matin, si possible.)Oefening 7: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen om je week te beschrijven (werk en/of privé) en noem minstens twee dagen en momenten van de dag.
Nuttige uitdrukkingen:
Cette semaine, je… / Le lundi / le mardi, je… / Le matin / l’après‑midi / le soir, je… / Aujourd’hui, je…