1. Woordenschat (14)

Le cercle

Le cercle Show

De cirkel Show

Le carré

Le carré Show

Het vierkant Show

Le rectangle

Le rectangle Show

De rechthoek Show

Le triangle

Le triangle Show

De driehoek Show

Le losange

Le losange Show

De ruit Show

La ligne

La ligne Show

De lijn Show

Pointu

Pointu Show

Puntig Show

Arrondi

Arrondi Show

Rond Show

Large

Large Show

Breed Show

Étroit

Étroit Show

Smal Show

Épais

Épais Show

Dik Show

Dur

Dur Show

Hard Show

Mou

Mou Show

Zacht Show

2. Grammatica

3. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Nouveau logo pour notre entreprise

Woorden om te gebruiken: triangle, large, étroit, fine, carré, losange, ligne, cercle, regarde, épais

(Nieuw logo voor ons bedrijf)

Notre entreprise change de logo cette année. Le nouveau logo est simple : un grand bleu au centre, avec un petit blanc à droite. Sous le cercle, il y a une noire, très . Le style est moderne et clair.

Nous ne voulons pas de formes très compliquées. Il n’y a pas de , pas de . Les traits ne sont pas , ils sont fins et élégants. Le cercle est , mais le carré est . Le graphiste toutes les formes et choisit une image douce, pas dure. Le logo est maintenant sur la porte d’entrée et sur le site internet.
Ons bedrijf krijgt dit jaar een nieuw logo. Het nieuwe logo is eenvoudig: een grote blauwe cirkel in het midden, met een klein wit vierkant aan de rechterkant. Onder de cirkel loopt een zwarte, heel dunne lijn. De stijl is modern en helder.

We willen geen ingewikkelde vormen. Er staat geen driehoek en geen ruit in het logo. De lijnen zijn niet dik; ze zijn fijn en elegant. De cirkel is breed, maar het vierkant is smal. De grafisch ontwerper bekijkt alle vormen en kiest voor een zacht beeld, niet een hard. Het logo staat nu op de voordeur en op de website.

  1. Décrivez le nouveau logo avec vos mots : quelles formes voyez-vous ?

    (Beschrijf het nieuwe logo met je eigen woorden: welke vormen zie je?)

  2. Quelles formes l’entreprise ne veut-elle pas dans le logo ?

    (Welke vormen wil het bedrijf niet in het logo?)

  3. À votre avis, pourquoi une entreprise choisit-elle un logo simple ?

    (Waarom, denk je, kiest een bedrijf voor een eenvoudig logo?)

  4. Décrivez un logo que vous aimez (d’une marque, d’une entreprise, etc.).

    (Beschrijf een logo dat jij mooi vindt (van een merk, een bedrijf, enz.).)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Je préfère cette table parce que les bords sont arrondis. (Ik geef de voorkeur aan deze tafel omdat de hoeken afgerond zijn.)
Dans mon salon, le tapis a un grand cercle rouge. (In mijn woonkamer ligt er een groot rood cirkelvormig tapijt.)
Je ne veux pas de canapé avec des angles pointus. (Ik wil geen bank met scherpe hoeken.)
Ce bureau est trop étroit, je regarde un modèle plus large. (Dit bureau is te smal, ik kijk naar een breder model.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Je ______ la table : elle n’a pas de forme spéciale, ce n’est pas un cercle.

(Ik ______ naar de tafel: die heeft geen bijzondere vorm, het is geen cirkel.)

2. Dans ce plan, tu ne ______ pas les lignes, tu ne vois pas le grand rectangle.

(In dit plan ______ je niet naar de lijnen, je ziet het grote rechthoek niet.)

3. En réunion, nous ______ les formes du bâtiment, mais nous ne ______ pas le petit triangle sur le toit.

(Tijdens de vergadering ______ we de vormen van het gebouw, maar we ______ de kleine driehoek op het dak niet.)

4. Les architectes ______ la façade, mais ils ne ______ plus les anciens losanges épais.

(De architecten ______ de gevel, maar ze ______ niet meer op de oude dikke ruiten.)

Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Tu es dans un magasin de meubles pour ton bureau. Tu expliques au vendeur que tu veux une table simple. Décris la forme de la table. (Utilise : le rectangle, la table, pour mon bureau)

(Je bent in een meubelwinkel voor je bureau. Je legt aan de verkoper uit dat je een eenvoudige tafel wilt. Beschrijf de vorm van de tafel. (Gebruik: le rectangle, la table, pour mon bureau))

Pour mon bureau,  

(Pour mon bureau, ...)

Voorbeeld:

Pour mon bureau, je veux une table en rectangle, simple et pratique.

(Pour mon bureau, je veux une table en rectangle, simple et pratique.)

2. Tu commandes un gâteau pour l’anniversaire de ton enfant dans une boulangerie. Tu expliques la forme que tu préfères. (Utilise : le cercle, un gâteau, j’aime)

(Je bestelt een taart voor de verjaardag van je kind in een bakkerij. Je legt uit welke vorm je liever hebt. (Gebruik: le cercle, un gâteau, j’aime))

Pour le gâteau,  

(Pour le gâteau, ...)

Voorbeeld:

Pour le gâteau, je préfère un cercle, une forme classique.

(Pour le gâteau, je préfère un cercle, une forme classique.)

3. Au travail, tu discutes du nouveau logo de ton entreprise avec un collègue. Tu expliques la forme principale du logo. (Utilise : le triangle, le logo, moderne)

(Op het werk bespreek je het nieuwe logo van je bedrijf met een collega. Je legt de hoofdvorm van het logo uit. (Gebruik: le triangle, le logo, moderne))

Pour le logo,  

(Pour le logo, ...)

Voorbeeld:

Pour le logo, je veux un triangle, c’est simple et moderne.

(Pour le logo, je veux un triangle, c’est simple et moderne.)

4. Tu veux acheter un nouveau canapé pour ton salon. Tu expliques au vendeur que tu n’aimes pas un canapé trop large. (Utilise : large, le canapé, petit salon)

(Je wilt een nieuwe bank kopen voor je woonkamer. Je legt aan de verkoper uit dat je geen te brede bank wilt. (Gebruik: large, le canapé, petit salon))

Je ne veux pas  

(Je ne veux pas ...)

Voorbeeld:

Je ne veux pas un canapé trop large, mon salon est petit.

(Je ne veux pas un canapé trop large, mon salon est petit.)

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf in 4 of 5 zinnen het logo van jouw bedrijf of van een bedrijf dat je kent (vormen, stijl, wat je leuk vindt of niet leuk vindt).

Nuttige uitdrukkingen:

Il y a un / une… / La forme est… / Je préfère… parce que… / Je n’aime pas… dans ce logo.

Exercice 7: Gespreksoefening

Instruction:

  1. Décrivez les images et comparez-les. (Beschrijf de afbeeldingen en vergelijk ze.)
  2. Faites un dialogue en demandant les préférences. Voitures plus petites ou plus grandes, ... ? (Maak een dialoog waarin je naar voorkeuren vraagt. Kleinere of grotere auto's, ...?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Cette voiture est petite et vieille.

Deze auto is klein en oud.

Cette voiture est plus grande et plus récente.

Die auto is groter en nieuwer.

Les garçons portent des pantalons plus amples.

De jongens dragen bredere broeken.

Quelle voiture préférez-vous ?

Welke auto heb je liever?

Je préfère une voiture plus petite mais plus moderne.

Ik geef de voorkeur aan een kleinere maar modernere auto.

Je préfère les vieilles voitures.

Ik geef de voorkeur aan oude auto's.

Je préfère les aliments cuits au four plutôt que les aliments frits.

Ik geef de voorkeur aan gebakken voedsel boven gefrituurd voedsel.

...