Oefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 2: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Note interne - goûter au bureau
Vul de lege plekken in: farine, chocolat, doit, huile, sucre
(Interne nota - traktatie op kantoor)
Vendredi, l'équipe apporte un goûter au bureau. Pour un petit gâteau au , il faut de la , du , des œufs et un peu d' . Merci d'apporter aussi des fruits (bananes) et des légumes pour l'apéritif (carottes, tomates). Si vous n'avez pas de sucre, n'apportez pas de chocolat, c'est trop amer. On arriver avant 16 h pour préparer.Vrijdag brengt het team een traktatie mee naar kantoor. Voor een kleine chocoladetaart heb je bloem, suiker, eieren en een beetje olie nodig. Breng ook alstublieft fruit (bananen) en groente mee voor de borrel (wortels, tomaten). Als je geen suiker hebt, breng dan geen chocolade mee, dat wordt te bitter. We moeten voor 16.00 uur aankomen om alles voor te bereiden.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Que doit acheter Léa pour le gâteau ?
Quel produit n'est pas disponible aujourd'hui ?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Pour le dîner, je ne ___ pas de viande, je fais une salade de tomates.
(Bij het avondeten neem ik geen vlees, ik maak een tomatensalade.)2. Tu n'___ pas de sucre, parce que le gâteau est déjà très sucré.
(Jij koopt geen suiker, omdat de taart al erg zoet is.)3. Pour la recette, nous ne ___ pas de sel dans la soupe.
(Voor het recept doen wij geen zout in de soep.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Vous êtes au supermarché. Vous voulez faire un gâteau ce soir, mais vous ne trouvez pas un produit. Demandez à un employé où il est. (Utilisez: La farine, où, s'il vous plaît)
(U bent in de supermarkt. U wilt vanavond een taart maken, maar u kunt een product niet vinden. Vraag een medewerker waar het staat. (Gebruik: La farine, où, s'il vous plaît))Où est ?
(Où est ... ?)Voorbeeld:
Bonjour, où est la farine, s'il vous plaît ?
(Bonjour, où est la farine, s'il vous plaît ?)2. Vous cuisinez avec un(e) ami(e) chez vous. Il/elle met beaucoup de sel. Dites poliment que ce n'est pas bon et proposez une solution. (Utilisez: Le sel, pas trop, un peu)
(U kookt bij u thuis met een vriend(in). Hij/zij doet te veel zout in het gerecht. Zeg beleefd dat het niet lekker is en stel een oplossing voor. (Gebruik: Le sel, pas trop, un peu))Pas trop
(Pas trop ...)Voorbeeld:
Pas trop de sel, s'il te plaît. Mets juste un peu.
(Pas trop de sel, s'il te plaît. Mets juste un peu.)Oefening 7: Correspondentie schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
Salut Alex !
Je fais la cuisine ce soir. Tu peux passer au supermarché avant 18h ? Il faut des tomates, des carottes et un peu de farine pour un petit gâteau. Moi, je n'ai plus de sucre à la maison. Tu peux aussi prendre du chocolat si tu veux.
Merci !
– Camille
Hoi Alex!
Ik kook vanavond. Kun je voor 18.00 uur nog even naar de supermarkt gaan? We hebben tomaten, wortels en wat bloem nodig voor een klein taartje. Ik heb thuis geen suiker meer. Je kunt ook chocolade meenemen als je wilt.
Dank je!
– Camille
Nuttige zinnen:
-
Je peux passer au supermarché à ...
(Ik kan naar de supermarkt gaan om ...)
-
Je n'ai pas de ... à la maison.
(Ik heb thuis geen ...)
-
Il faut aussi ... ?
(Heb je ook ... nodig?)
Hoi Camille! Ja, ik kan rond 17.30 uur naar de supermarkt gaan. Ik koop tomaten, wortels en bloem. Thuis heb ik ook geen suiker, dus ik neem dat ook mee. Ik neem een reep chocolade. Wil je dat ik zout of olie meeneem? Tot straks!