Oefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 2: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Brochure du supermarché MonPanier
Vul de lege plekken in: centre, jus, payer, viande, courses, supermarché, choisir, liste, comparer, légumes
(Brochure van supermarkt MijnMand)
Cette semaine, le MonPanier au commercial propose des réductions pour les de tous les jours. Dans le rayon fruits et , il y a des pommes, des bananes et des tomates à petit prix. Le magasin conseille de venir avec une de courses pour bien les produits et ne pas oublier le , le lait ou le pain.
Au rayon et produits sucrés, le poulet est en promotion et les biscuits sont moins chers que la semaine dernière. Les clients peuvent les marques et regarder le prix au kilo. MonPanier ouvre du lundi au samedi de 8 h à 20 h. On peut en espèces ou par carte bancaire.Deze week heeft supermarkt MijnMand in het winkelcentrum aanbiedingen voor de dagelijkse boodschappen. In het fruit- en groentevak zijn appels, bananen en tomaten voordelig geprijsd. De winkel raadt aan met een boodschappenlijstje te komen, zodat je de producten goed kunt kiezen en het sap, de melk of het brood niet vergeet.
In het vlees- en zoetwarenvak is kip in de aanbieding en zijn de koekjes goedkoper dan vorige week. Klanten kunnen merken vergelijken en naar de prijs per kilo kijken. MijnMand is geopend van maandag tot en met zaterdag van 8.00 tot 20.00 uur. Je kunt contant of met bankpas betalen.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Qu'est‑ce que la personne prépare avant d'aller au magasin ?
Qu'est‑ce que le client demande à l'épicerie ?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Au supermarché, je ___ des fruits et des légumes pour la semaine.
(In de supermarkt kies ik ___ groenten en fruit voor de week.)2. Nous ___ du pain et de la viande pour le dîner.
(Wij ___ brood en vlees voor het avondeten.)3. Au marché, ils ___ les prix des légumes avant de choisir.
(Op de markt vergelijken ze ___ de prijzen van de groenten voordat ze kiezen.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Tu vas au supermarché après le travail pour acheter à manger pour ce soir. Tu parles avec ton/ta partenaire au téléphone et tu dis ce que tu veux acheter. (Utilise : la liste de courses, le fruit, le légume)
(Je gaat na het werk naar de supermarkt om eten te kopen voor vanavond. Je belt met je partner en vertelt wat je wilt kopen. (Gebruik: de boodschappenlijst, het stuk fruit, de groente))Sur la liste de courses,
(Op de boodschappenlijst ...)Voorbeeld:
Sur la liste de courses, il y a du pain, des fruits et des légumes pour le dîner.
(Op de boodschappenlijst staat brood, fruit en groenten voor het avondeten.)2. Tu es à l’épicerie en bas de chez toi. Tu parles avec l’épicier et tu demandes du jus pour le petit-déjeuner. (Utilise : l’épicier, le jus, vouloir)
(Je bent bij de kruidenier onder in het gebouw. Je praat met de kruidenier en vraagt om sap voor het ontbijt. (Gebruik: de kruidenier, het sap, willen))Je voudrais
(Ik zou graag ... willen)Voorbeeld:
Je voudrais une bouteille de jus d’orange, s’il vous plaît.
(Ik zou graag een fles sinaasappelsap willen, alstublieft.)Oefening 7: Correspondentie schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
Salut Marie,
Je suis au supermarché maintenant pour les courses de ce soir.
Je prends déjà du pain, du fromage et du jus d’orange.
Tu veux des fruits ou des légumes en plus ?
Je ne trouve pas le lait. Tu sais où c’est ? C’est au rayon frais ou à côté des biscuits ?
Dis-moi vite ce que je dois prendre.
Merci !
Lucas
Hoi Marie,
Ik ben nu in de supermarkt voor de boodschappen van vanavond.
Ik heb al brood, kaas en sinaasappelsap meegenomen.
Wil je nog fruit of groenten?
Ik kan de melk niet vinden. Weet jij waar die staat? Bij de koelafdeling of naast de koekjes?
Zeg snel wat ik moet halen.
Dank je!
Lucas
Nuttige zinnen:
-
Bonjour/Salut Lucas,
(Hallo/Hoi Lucas,)
-
Je veux… / Je ne veux pas…
(Ik wil... / Ik wil geen...)
-
Le lait est… / Le lait est au rayon…
(De melk is... / De melk staat bij de afdeling...)
Merci pour ton message. Je veux des pommes et des tomates, s’il te plaît. Tu peux aussi prendre de la viande pour ce soir.
Le lait est au rayon frais, à côté du beurre.
À tout à l’heure,
Marie
Hoi Lucas,
Bedankt voor je bericht. Ik wil graag appels en tomaten, alsjeblieft. Je kunt ook wat vlees meenemen voor vanavond.
De melk staat bij de koelafdeling, naast de boter.
Tot straks,
Marie