A1.20 - Boodschappen doen - Oefeningen
Haal je boekOefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Oefening 2:
Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Note du supermarché - Courses rapides
Pensez à votre avant d’aller au . Pour le dîner, prenez du pain, de la salade et de l’eau. Au rayon , regardez aussi les produits de la marque du magasin : ils sont souvent moins chers.
À la , préparez votre carte. Si vous ne trouvez pas un , demandez au personnel. Le service client est près de l’ .Denk aan je boodschappenlijst voordat je naar de supermarkt gaat. Voor het avondeten neem je brood, sla en water mee. Bij de koekjesafdeling kun je ook naar de huismerkproducten kijken: die zijn vaak goedkoper.
Bij de kassa maak je je betaalpas klaar. Als je een artikel niet kunt vinden, vraag het personeel. De klantenservice is vlak bij de ingang.
Oefening 3:
Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Qu'est-ce qu'elle demande à la fin ?
2. Que cherche la personne ?
Oefening 4: Werkwoordsvervoegingen
Instructie: Kies de juiste oplossing
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. J'___ du pain et des biscuits au supermarché.
(Ik ___ brood en koekjes in de supermarkt.)2. Au marché, nous ___ des tomates pour la salade.
(Op de markt ___ we tomaten voor de salade.)3. Vous ___ de l'eau à la caisse ?
(U ___ water bij de kassa?)
Oefening 5:
Dialoogbegrip
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Demander un article au supermarché
Client (Alex): Show Bonjour, je cherche des biscuits, s'il vous plaît.
(Hallo, ik zoek koekjes, alstublieft.)
Employée: Show Bonjour, ils sont au rayon épicerie, près de la caisse.
(Hallo, ze staan bij de kruidenierswaren, vlak bij de kassa.)
Client (Alex): Show D'accord, merci. Je prendrai aussi du pain à la boulangerie.
(Oké, bedankt. Ik neem ook brood bij de bakkerij.)
Employée: Show Très bien, la boulangerie est juste à gauche en sortant.
(Prima, de bakkerij is meteen links als je naar buiten loopt.)
Open vragen:
1. Quel article Alex cherche-t-il ?
Welk artikel zoekt Alex?
Faire la liste avant le marché
Marie: Show On fait la liste de courses ? Je veux des biscuits et de l'eau.
(Zullen we de boodschappenlijst maken? Ik wil koekjes en water.)
Julien: Show Oui. On va au marché, puis à la boulangerie.
(Ja. We gaan naar de markt en daarna naar de bakkerij.)
Marie: Show D'accord, je note aussi un article pour le dîner.
(Oké, ik noteer ook iets voor het avondeten.)
Julien: Show Parfait, après on passera à la caisse et on rentrera.
(Perfect, daarna gaan we naar de kassa en gaan we naar huis.)
Open vragen:
1. Où vont-ils faire les courses : au marché ou au centre commercial ?
Waar gaan ze boodschappen doen: op de markt of in het winkelcentrum?
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Tu es au supermarché. Tu ne trouves pas un produit. Demande à un(e) employé(e) où il est. (Utilise : l'article, où, s'il vous plaît)
(Je bent in de supermarkt. Je kunt een product niet vinden. Vraag een medewerker waar het is. (Gebruik: het lidwoord, waar, alstublieft))Je cherche
(Ik zoek ...)Voorbeeld:
Bonjour, je cherche un article. Il est où, s'il vous plaît ?
(Hallo, ik zoek een artikel. Waar is het, alstublieft?)2. Tu es à la boulangerie. Tu veux acheter quelque chose pour le petit-déjeuner. Dis ce que tu veux prendre. (Utilise : vouloir, prendre, des biscuits)
(Je bent bij de bakker. Je wilt iets kopen voor het ontbijt. Zeg wat je wilt nemen. (Gebruik: willen, nemen, koekjes))Je voudrais
(Ik zou graag ... willen)Voorbeeld:
Bonjour, je voudrais des biscuits, s'il vous plaît. Je prends aussi une baguette.
(Hallo, ik zou graag koekjes willen, alstublieft. Ik neem ook een stokbrood.)Oefening 7: Brief schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Salut ! Je suis au supermarché maintenant. Tu as ta liste de courses ?
Je dois aussi passer à la boulangerie. Tu veux du pain ou des biscuits ? Et pour ce soir, tu veux quoi à boire ?
Dis-moi vite, je suis bientôt à la caisse.
- Max
Hoi! Ik ben nu in de supermarkt. Heb je je boodschappenlijst bij je?
Ik moet ook nog even naar de bakker. Wil je brood of koekjes? En voor vanavond, wat wil je drinken?
Zeg het snel, ik sta bijna bij de kassa.
- Max
Nuttige zinnen:
-
Tu peux acheter…
(Je kunt kopen…)
-
Je voudrais du / de la / de l'…
(Ik zou graag wat … willen)
-
Au supermarché, où est… ?
(In de supermarkt, waar is…?)
Hoi Max! Ja, hier is mijn lijst: brood, sla, tomaten, kaas en water. En neem alsjeblieft ook koekjes mee. In de supermarkt, waar is het koffieschap? Bedankt!
Frans leren voor beginners: Stap voor stap leren, een A1 cursus met audio
ISBN 979-13-88253-36-2
Deze app ondersteunt dit boek.