A1.4 - Getallen en tellen - Oefeningen
Haal je boekOefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Toon antwoordenOefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Oefening 3:
Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Quel est le numéro de téléphone de Claire ?
2. Combien la personne doit payer ?
Oefening 4: Werkwoordsvervoegingen
Instructie: Kies de juiste oplossing
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. En classe, je ___ de vingt à trente pour m’entraîner.
(In de les tel ik ___ van twintig tot dertig om te oefenen.)2. Pour donner votre numéro, vous ___ jusqu’à dix avant de le dire.
(Om uw nummer te geven, u ___ tot tien voordat u het zegt.)3. Au marché, nous ___ les pièces avant de payer.
(Op de markt tellen wij ___ de munten voordat we betalen.)
Oefening 5:
Dialoogbegrip
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Donner son numéro de téléphone
Camille (collègue): Show Tu peux me donner ton numéro de téléphone, s'il te plaît ?
(Kun je me je telefoonnummer geven, alsjeblieft?)
Alex (nouveau collègue): Show Oui : zéro six, onze, quinze, dix-sept, dix-huit, dix-neuf.
(Ja: nul zes, elf, vijftien, zeventien, achttien, negentien.)
Camille (collègue): Show D'accord, je note : 06 11 15 17 18 19.
(Oké, ik noteer: 06 11 15 17 18 19.)
Alex (nouveau collègue): Show Merci, tu peux m'envoyer un message.
(Dank je, je kunt me een berichtje sturen.)
Open vragen:
1. Quel numéro de téléphone Alex donne-t-il ?
Welk telefoonnummer geeft Alex?
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Vous êtes au café et vous commandez pour vous et un collègue. Dites combien d'unités vous voulez et vérifiez le total. (Utilisez : le total, deux, ça fait combien ?)
(Je bent in het café en bestelt voor jezelf en een collega. Zeg hoeveel je wilt en controleer het totaal. (Gebruik: le total, deux, ça fait combien ?))Ça fait
(Ça fait ...)Voorbeeld:
Ça fait combien au total, s'il vous plaît ?
(Ça fait combien au total, s'il vous plaît ?)2. Vous remplissez un formulaire au travail (RH) et on vous demande votre numéro de téléphone. Répondez et épeler les chiffres lentement. (Utilisez : mon numéro, zéro, un/deux/trois)
(Je vult op het werk een formulier in (HR) en men vraagt om je telefoonnummer. Geef het en spel de cijfers langzaam. (Gebruik: mon numéro, zéro, un/deux/trois))Mon numéro, c'est
(Mon numéro, c'est ...)Voorbeeld:
Mon numéro, c'est 06 12 34 56 78.
(Mon numéro, c'est 06 12 34 56 78.)Frans leren voor beginners: Stap voor stap leren, een A1 cursus met audio
ISBN 979-13-88253-36-2
Deze app ondersteunt dit boek.