Oefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 2: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Accueil visiteurs - Identifier une personne
Vul de lege plekken in: bruns, grand, barbe, mince, courts
(Ontvangst bezoekers - Iemand identificeren)
À l'accueil de l'entreprise, un visiteur demande : « Vous cherchez quelqu'un ? » Décrivez la personne pour aider le visiteur. Exemple : « Il est , , avec des cheveux et et une . » Ou : « Elle est petite, blonde, avec des cheveux longs. » Si vous n'êtes pas sûr, demandez une photo ou le nom.Bij de receptie van het bedrijf vraagt een bezoeker: "Zoekt u iemand?" Beschrijf de persoon om de bezoeker te helpen. Voorbeeld: "Hij is lang, slank, met kort bruin haar en een baard." Of: "Zij is klein, blond, met lang haar." Als u het niet zeker weet, vraag om een foto of om een naam.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Qui doit-il chercher ?
Comment est la personne qui parle ?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. À l'accueil, je ___ que le nouveau collègue est grand et brun.
(Bij de receptie denk ik dat de nieuwe collega ___ groot is en bruin haar heeft.)2. Sur la photo, tu ___ à ton frère : mêmes cheveux courts et châtains.
(Op de foto ___ je op je broer: hetzelfde korte kastanjebruine haar.)3. Le formateur ___ que la participante rousse a les cheveux longs.
(De trainer ___ dat de roodharige deelneemster lang haar heeft.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. À l’accueil de votre bureau, la réceptionniste demande qui vous attendez. Décrivez la personne simplement pour qu’elle la reconnaisse. (Utilisez : les cheveux, courts, longs)
(Bij de receptie van uw kantoor vraagt de receptioniste wie u verwacht. Beschrijf de persoon kort zodat zij hem/haar herkent. (Gebruik: het haar, kort, lang))Il/Elle a les cheveux
(Il/Elle a les cheveux ...)Voorbeeld:
Il a les cheveux courts et bruns.
(Il a les cheveux courts et bruns.)2. Vous êtes dans un café et vous cherchez un ami. Demandez au serveur si une personne est là, en la décrivant simplement. (Utilisez : la barbe, sans, avec)
(U bent in een café en zoekt een vriend. Vraag de ober of er een bepaalde persoon is en beschrijf die persoon kort. (Gebruik: de baard, zonder, met))Il a une barbe
(Il a une barbe ...)Voorbeeld:
Il a une barbe courte, pas très longue.
(Il a une barbe courte, pas très longue.)Oefening 7: Correspondentie schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
Salut ! C'est Claire (RH). Je dois choisir une photo pour mon badge au bureau.
J'hésite entre deux photos :
- Photo 1 : cheveux longs, pas de barbe.
- Photo 2 : cheveux courts, petite barbe.
Tu préfères laquelle ? Et sur quelle photo je ressemble le plus à la vraie vie ? Merci !
Hoi! Het is Claire (HR). Ik moet een foto kiezen voor mijn badge op kantoor.
Ik twijfel tussen twee foto’s :
- Foto 1: lang haar, geen baard.
- Foto 2: kort haar, kleine baard.
Welke vind jij beter? En op welke foto lijk ik het meest zoals in het echt? Dank je!
Nuttige zinnen:
-
Je préfère la photo… parce que…
(Ik geef de voorkeur aan foto… omdat…)
-
Sur la photo…, tu as les cheveux…
(Op de foto…, heb je het haar…)
-
Je pense que tu ressembles plus à… sur la photo…
(Ik denk dat je meer lijkt op… op foto…)
Hoi Claire! Ik geef de voorkeur aan foto 2, omdat korte haren je goed staan. Op foto 2 maakt die kleine baard dat je meer lijkt op het beeld dat ik van je heb op kantoor. Foto 1 is ook mooi, maar daar zie je er iets anders uit. Tot morgen!