Les deux tiers des Français aiment les fêtes de fin d’année. Ils préfèrent le réveillon de Noël (71%) à celui du Nouvel an. Le plat préféré pour le réveillon de Noël : le foie gras !
Twee derde van de Fransen houdt van de eindejaarsfeesten. Ze geven de voorkeur aan het kerstavondfeest (71%) boven dat van Nieuwjaar. Het favoriete gerecht voor kerstavond: foie gras!

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Herken de aangegeven woordenschat in de video.

Woord Vertaling
Les fêtes de fin d’année Eindejaarsfeesten
Le réveillon de Noël Kerstavond
Le Nouvel An Nieuwjaar
Le foie gras Foie gras
Les coquilles Saint-Jacques Sint-Jakobsschelpen
Une bûche Een kerststronk
Une messe de Noël Een kerstmisviering
Une crèche Een kerststal
Un sapin de Noël Een kerstboom
Les cadeaux de Noël Kerstcadeaus
Vous souhaitent d’excellentes fêtes de fin d’année Wensen u fijne eindejaarsfeesten
Nous avons réalisé une enquête sur les Français et les fêtes de fin d’année. (We hebben een enquête gehouden over de Fransen en de eindejaarsfeesten.)
Les deux tiers des Français déclarent qu’ils aiment beaucoup cette période de l’année. (Twee derde van de Fransen zegt dat ze erg van deze periode van het jaar houden.)
La grande majorité préfère le réveillon de Noël plutôt que le réveillon du Nouvel An. (De grote meerderheid geeft de voorkeur aan kerstavond boven oudejaarsavond.)
Pour le repas de Noël, les plats préférés sont le foie gras, les coquilles Saint-Jacques et le saumon fumé. (Voor het kerstdiner zijn de favoriete gerechten foie gras, sint-jakobsschelpen en gerookte zalm.)
Un Français sur deux mange une bûche comme dessert au réveillon de Noël. (Één op de twee Fransen eet een kerststronk als dessert tijdens kerstavond.)
Six Français sur dix boivent du champagne ce soir‑là avec leur famille ou leurs amis. (Zes op de tien Fransen drinken die avond champagne met hun familie of vrienden.)
La pratique religieuse reste limitée : seulement dix‑huit pour cent vont à la messe de Noël et environ quarante pour cent installent une crèche. (De religieuze praktijk blijft beperkt: slechts achttien procent gaat naar de kerstmis en ongeveer veertig procent zet een kerststal neer.)
En revanche, la majorité décore sa maison avec un sapin de Noël et des lumières. (De meerderheid versiert daarentegen haar huis met een kerstboom en lichtjes.)
La plupart des Français ouvrent leurs cadeaux de Noël le soir du vingt‑quatre décembre, et moins nombreux attendent le matin du vingt‑cinq décembre. (De meeste Fransen maken hun kerstcadeaus open op de avond van vierentwintig december; minder mensen wachten tot de ochtend van vijfentwintig december.)
Pour les achats de Noël, les Français dépensent en moyenne quatre cent soixante‑quinze euros, soit environ soixante euros de plus que l’année dernière. (Voor kerstinkopen geven de Fransen gemiddeld vierhonderdvijfenzeventig euro uit, dat is ongeveer zestig euro meer dan vorig jaar.)

Begripsvragen:

  1. Combien de Français sur dix boivent du champagne pendant le réveillon de Noël ?

    (Hoeveel van de tien Fransen drinken champagne tijdens kerstavond?)

  2. Quand la plupart des Français ouvrent‑ils leurs cadeaux de Noël, le vingt‑quatre ou le vingt‑cinq décembre ?

    (Wanneer openen de meeste Fransen hun kerstcadeaus: op vierentwintig of op vijfentwintig december?)

  3. En moyenne, combien d’euros les Français dépensent‑ils pour les achats de Noël ?

    (Hoeveel euro besteden Fransen gemiddeld aan kerstinkopen?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Dates du calendrier et jours fériés – projets pour les fêtes

Kalenderdata en feestdagen – plannen voor de feestdagen
1. Kévin: Tu fais quoi pour les fêtes de fin d’année ? (Wat ga jij doen met de eindejaarsfeesten?)
2. Marine: Je vais voir mes parents en Lorraine, on fête toujours Noël en famille. (Ik ga naar mijn ouders in Lotharingen, we vieren Kerst altijd met de familie.)
3. Kévin: Génial ! En Lorraine, vous célébrez aussi la Saint-Nicolas, comme en Belgique ? (Geweldig! Vieren jullie in Lotharingen ook Sint-Nicolaas, zoals in België?)
4. Marine: Oui, exactement ! C’est le 6 décembre. Et toi, tu fais quoi pour Noël ? (Ja, precies! Het is op 6 december. En jij, wat doe jij met Kerst?)
5. Kévin: Je rejoins ma copine à Lille. Elle est toute seule le 25 décembre, alors je vais la voir. (Ik ga naar mijn vriendin in Rijsel. Ze is helemaal alleen op 25 december, dus ik ga naar haar toe.)
6. Marine: Trop mignon ! Et tu restes là-bas pour fêter le Nouvel An ? (Wat lief! Blijf je daar ook om Oud en Nieuw te vieren?)
7. Kévin: Oui, je reste un mois. Il y a un magnifique marché de Noël. Et toi, tu fais quoi pour le Nouvel An ? (Ja, ik blijf een maand. Er is een prachtige kerstmarkt. En jij, wat doe jij met Oud en Nieuw?)
8. Marine: Je reviens ici pour le fêter avec des amis. Noël en famille et Nouvel An avec ses amis ! (Ik kom terug om het met vrienden te vieren. Kerst met de familie en Oud en Nieuw met vrienden!)
9. Kévin: Oui, tu as raison. Tu retournes en Lorraine pour Pâques ? (Ja, dat klopt. Ga je met Pasen terug naar Lotharingen?)
10. Marine: Je ne sais pas si je peux prendre des vacances à Pâques cette année. (Ik weet niet of ik met Pasen vrij kan nemen dit jaar.)
11. Kévin: Ah mince ! Il faut regarder le calendrier des vacances et voir s’il reste de la place pour cette période. (Ah jammer! Je moet in de vakantieplanning kijken en zien of er nog ruimte is in die periode.)
12. Marine: Oui, je vais regarder. Si je ne peux pas, c’est ma famille qui vient me voir ici. (Ja, dat ga ik doen. Als ik niet kan, komt mijn familie hiernaartoe om mij te bezoeken.)
13. Kévin: Oui, c’est important de les voir souvent. Ce n’est pas facile de vivre loin d’eux. (Ja, het is belangrijk hen vaak te zien. Het is niet makkelijk om ver van hen te wonen.)

1. Instruction de l’exercice

(Instructie van de oefening)

2. Où Marine passe-t-elle Noël ?

(Waar brengt Marine Kerst door?)

Oefening 3: Openingsvragen voor gesprekken

Instructie: Beantwoord de vragen en corrigeer ze met je leraar.

  1. En France, quel jour férié préfères-tu (Noël, Pâques, le 1er janvier, etc.) et pourquoi ?
    In Frankrijk, welke feestdag vind je het leukst (Kerstmis, Pasen, 1 januari, enz.) en waarom?

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Que fais-tu normalement pour le 31 décembre ou le 1er janvier ? Donne deux activités courtes.
    Wat doe je gewoonlijk op 31 december of 1 januari? Geef twee korte activiteiten.

    __________________________________________________________________________________________________________

  3. Tu es au travail et tu veux prendre des vacances pour Noël : quelles dates demandes-tu à ton responsable ?
    Je bent aan het werk en je wilt met vakantie rond Kerstmis: welke data vraag je aan je leidinggevende?

    __________________________________________________________________________________________________________

  4. Dans ta région ou ton pays, y a-t-il une fête importante en décembre ou au printemps ? Comment la célèbres-tu ?
    Is er in jouw regio of in jouw land een belangrijke feestdag in december of in de lente? Hoe vier je die?

    __________________________________________________________________________________________________________

Oefening 4: Oefening in context

Instructie: Que fête-t-on le 21 juin et quand à lieu le Beaujolais ?

  1. https://parisjetaime.com/article/fetes-francaises-et-parisiennes-a530