Exercice: Gespreksoefening

Instruction:

  1. Nommez chaque appareil et à quoi il sert. (Noem elk apparaat en waar het voor wordt gebruikt.)
  2. Indiquez lequel de ces appareils vous utilisez habituellement. (Vertel welke van die apparaten je meestal gebruikt.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten