Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Qui travaille à Lyon ?
Avec qui est‑il au café ?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. En entretien, je parle de ma famille et je dis : « J’___ deux sœurs. »
(Tijdens een gesprek praat ik over mijn familie en zeg ik: « Ik ___ twee zussen. »)2. Mon mari ___ à Lyon, et mes parents habitent à Bordeaux.
(Mijn man ___ in Lyon en mijn ouders wonen in Bordeaux.)3. Ce soir, nous ___ avec mes grands-parents.
(Vanavond ___ we met mijn grootouders.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Vous commencez un nouveau travail en France. Un collègue vous demande de vous présenter et de dire si vous êtes en couple. Répondez simplement. (Utilisez : le mari / la femme, en couple, célibataire)
(Je begint aan een nieuwe baan in Frankrijk. Een collega vraagt je je voor te stellen en te zeggen of je een relatie hebt. Antwoord eenvoudig. (Gebruik: le mari / la femme, en couple, célibataire))Je suis
(Je suis ...)Voorbeeld:
Je suis célibataire. Je n’ai pas d’enfant.
(Je suis célibataire. Je n’ai pas d’enfant.)2. Vous prenez un café avec une nouvelle voisine. Elle parle de sa famille et vous demande si vous avez des frères et sœurs. Répondez. (Utilisez : le frère, la sœur, j’ai)
(Je drinkt een kop koffie met een nieuwe buurvrouw. Ze vertelt over haar familie en vraagt of je broers en zussen hebt. Antwoord. (Gebruik: le frère, la sœur, j’ai))J’ai
(J’ai ...)Voorbeeld:
J’ai une sœur et un frère.
(J’ai une sœur et un frère.)