A1.5 - Familie - Oefeningen
Haal je boekOefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Toon antwoordenOefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Oefening 3:
Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Qui travaille à Lyon ?
2. Avec qui est‑il au café ?
Oefening 4: Werkwoordsvervoegingen
Instructie: Kies de juiste oplossing
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. En entretien, je parle de ma famille et je dis : « J’___ deux sœurs. »
(Tijdens een gesprek praat ik over mijn familie en zeg ik: « Ik ___ twee zussen. »)2. Mon mari ___ à Lyon, et mes parents habitent à Bordeaux.
(Mijn man ___ in Lyon en mijn ouders wonen in Bordeaux.)3. Ce soir, nous ___ avec mes grands-parents.
(Vanavond ___ we met mijn grootouders.)
Oefening 5:
Dialoogbegrip
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Se présenter à un nouveau collègue
Camille (collègue): Show Salut, moi c'est Camille. Tu es nouveau ici ?
(Hoi, ik ben Camille. Ben jij nieuw hier?)
Alex (nouveau collègue): Show Oui, je m'appelle Alex. Je suis marié et j'ai une fille.
(Ja, ik heet Alex. Ik ben getrouwd en ik heb een dochter.)
Camille (collègue): Show Ah d'accord. Et tes parents, ils habitent à Lyon ?
(Ah oké. En jouw ouders, wonen zij in Lyon?)
Alex (nouveau collègue): Show Non, mes parents habitent à Lyon avec mes grands-parents.
(Nee, mijn ouders wonen in Lyon bij mijn grootouders.)
Open vragen:
1. Alex est-il marié ou célibataire ?
Is Alex getrouwd of vrijgezel?
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Vous commencez un nouveau travail en France. Un collègue vous demande de vous présenter et de dire si vous êtes en couple. Répondez simplement. (Utilisez : le mari / la femme, en couple, célibataire)
(Je begint aan een nieuwe baan in Frankrijk. Een collega vraagt je je voor te stellen en te zeggen of je een relatie hebt. Antwoord eenvoudig. (Gebruik: le mari / la femme, en couple, célibataire))Je suis
(Je suis ...)Voorbeeld:
Je suis célibataire. Je n’ai pas d’enfant.
(Je suis célibataire. Je n’ai pas d’enfant.)2. Vous prenez un café avec une nouvelle voisine. Elle parle de sa famille et vous demande si vous avez des frères et sœurs. Répondez. (Utilisez : le frère, la sœur, j’ai)
(Je drinkt een kop koffie met een nieuwe buurvrouw. Ze vertelt over haar familie en vraagt of je broers en zussen hebt. Antwoord. (Gebruik: le frère, la sœur, j’ai))J’ai
(J’ai ...)Voorbeeld:
J’ai une sœur et un frère.
(J’ai une sœur et un frère.)Frans leren voor beginners: Stap voor stap leren, een A1 cursus met audio
ISBN 979-13-88253-36-2
Deze app ondersteunt dit boek.