Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Mets les verres sur la table, s'il te plaît. (Zet de glazen op tafel, alsjeblieft.)
Les couverts sont à côté des assiettes. (Het bestek ligt naast de borden.)
Pose la serviette devant chaque assiette. (Leg de servet voor elk bord.)
Je coupe le pain avec un couteau. (Ik snijd het brood met een mes.)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Message de rappel : dîner à la maison

Vul de lege plekken in: couverts, faire la vaisselle, assiette, verre, couteau, serviette, essuyer, plat

(Herinnering: diner bij ons thuis)

Bonsoir ! Petit rappel pour le dîner de vendredi chez nous. Nous recevons deux amis à 20 h. Merci d’arriver à l’heure et de sonner à la porte.

Pour la table : mets une et un par personne. Les sont à côté de l’assiette : la fourchette à gauche et le à droite. La est devant l’assiette. Le principal va au milieu de la table. Après le repas, merci d’ la table et de : les verres et les bols vont dans l’égouttoir, les assiettes dans le lave-vaisselle.
Goedenavond! Kleine herinnering voor het diner van vrijdag bij ons. We ontvangen twee vrienden om 20:00 uur. Bedankt dat je op tijd komt en aanbelt.

Voor de tafel: leg een bord en een glas per persoon. Het bestek ligt naast het bord: de vork aan de linkerkant en het mes aan de rechterkant. De servet ligt voor het bord. Het hoofdgerecht zet je in het midden van de tafel. Na de maaltijd graag de tafel afdrogen en afwassen: de glazen en de kommen mogen in het afdruiprek, de borden in de vaatwasser.

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Salut, je prépare la table pour ce soir. Tu peux mettre les verres devant les assiettes, s'il te plaît ? Les serviettes sont dans le tiroir, à côté des couverts.

Où sont les serviettes ?

(Waar liggen de servetten?)
2. Après le dîner, je fais la vaisselle. La poêle est dans l'évier et les couteaux sont sur le plan de travail, en face du bol. Tu peux les essuyer ?

Que doit faire la personne ?

(Wat moet de persoon doen?)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Je ___ le pain derrière la planche à découper.

(Ik ___ het brood achter de snijplank.)

2. Tu ___ la serviette en papier en face de ton assiette.

(Jij ___ de papieren servet tegenover je bord.)

3. Nous ___ le fromage près des couverts.

(Wij ___ de kaas vlak bij het bestek.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Tu reçois des amis ce soir. Demande à ton/ta partenaire de mettre la table. (Utilise : l'assiette, le verre, s'il te plaît)

(Je ontvangt vanavond vrienden. Vraag je partner om de tafel te dekken. (Gebruik: het bord, het glas, alsjeblieft))

Tu peux mettre    

(Kun je ... neerzetten?)

Voorbeeld:

Tu peux mettre l'assiette et le verre sur la table, s'il te plaît.

(Kun je het bord en het glas op tafel zetten, alsjeblieft?)

2. Ton ami t'aide en cuisine et ne sait pas où sont les couverts. Indique où ils sont. (Utilise : les couverts, là, dans le tiroir)

(Je vriend helpt in de keuken en weet niet waar het bestek is. Geef aan waar het is. (Gebruik: het bestek, daar, in de lade))

Les couverts sont    

(Het bestek is ...)

Voorbeeld:

Les couverts sont là, dans le tiroir.

(Het bestek ligt daar, in de lade.)

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Salut ! On a des invités ce soir 🕖. Tu peux m’aider à mettre la table ?

  • Il y a 4 assiettes et 4 verres.
  • Tu peux mettre les couverts (couteau + fourchette) à côté des assiettes ?
  • Et une serviette devant chaque assiette.

Dis-moi aussi : tu préfères que je fasse la salade ou que je fasse la vaisselle après ?
— Camille


Hoi! We hebben vanavond gasten 🕖. Kun je me helpen met de tafel dekken?

  • Er zijn 4 borden en 4 glazen.
  • Kun je het bestek (mes + vork) naast de borden leggen?
  • En een servet voor elk bord.

Vertel me ook: heb je liever dat ik de salade maak of dat ik na afloop afwas?
— Camille


Nuttige zinnen:

  1. Oui, je peux t’aider à…

    (Ja, ik kan je helpen om te…)

  2. Je mets les … à côté de / devant …

    (Ik leg de … naast / voor …)

  3. Je préfère …, et toi ?

    (Ik geef de voorkeur aan …, en jij?)

Salut Camille ! Oui, je peux t’aider à mettre la table. Je mets les assiettes sur la table, les couverts à côté des assiettes et une serviette devant chaque assiette. Je mets les verres en face des assiettes. Je préfère faire la vaisselle après. Tu fais la salade ? À tout à l’heure !

Hoi Camille! Ja, ik kan je helpen de tafel te dekken. Ik zet de borden op tafel, leg het bestek naast de borden en een servet voor elk bord. Ik zet de glazen tegenover de borden. Ik geef de voorkeur aan afwassen achteraf. Doe jij de salade? Tot zo!