Soigner un mal de gorge
Een zere keel behandelen

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.

Woord Vertaling
Le mal de gorge Keelpijn
La douleur Pijn
La toux Hoest
La fièvre Koorts
Les médicaments Medicijnen
Consulter un médecin Een arts raadplegen
Le mal de gorge est une douleur au fond de la gorge. (Keelpijn is een pijn achter in de keel.)
Les symptômes sont : une sensation d'étranglement, une boule dans la gorge, des difficultés à avaler, une toux, une gorge rouge ou blanche, des grattements et parfois de la fièvre et des maux de tête. (De symptomen zijn: een benauwd gevoel, een brok in de keel, moeite met slikken, hoesten, een rode of witte keel, kriebel in de keel en soms koorts en hoofdpijn.)
Les causes peuvent être virales ou bactériennes, comme une angine, ou liées à la pollution. (De oorzaken kunnen viraal of bacterieel zijn, zoals keelontsteking, of verband houden met vervuiling.)
Pour un mal de gorge léger, vous pouvez prendre un sirop, des pastilles ou une tisane. (Bij milde keelpijn kunt u een siroop, zuigtabletjes of kruidenthee nemen.)
Si c'est plus grave, consultez un médecin. (Als het ernstiger is, raadpleeg dan een arts.)
Nos conseils pour soigner le mal de gorge : protégez votre gorge du froid, buvez de l'eau, dormez bien, mangez équilibré et faites du sport. (Onze tips om keelpijn te behandelen: bescherm uw keel tegen de kou, drink voldoende water, slaap goed, eet gevarieerd en blijf in beweging.)
Lavez-vous les mains souvent. (Was vaak uw handen.)
Le mal de gorge se soigne facilement et rapidement. (Keelpijn geneest meestal gemakkelijk en snel.)

1. Quel symptôme peut accompagner un mal de gorge ?

(Welk symptoom kan gepaard gaan met keelpijn?)

2. Que peut-on prendre quand le mal de gorge est léger ?

(Wat kunt u nemen wanneer de keelpijn mild is?)

3. Que faut-il faire si le problème est plus grave ?

(Wat moet u doen als het probleem ernstiger is?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Thomas ne vient pas au travail car il est malade et il appelle son patron

Thomas komt niet naar zijn werk omdat hij ziek is en belt zijn baas
1. Thomas: Bonjour, patron. Je ne viens pas travailler aujourd'hui. (Hallo baas. Ik kom vandaag niet naar het werk.)
2. Patron: Bonjour. Il y a un problème ? (Hallo. Is er iets aan de hand?)
3. Thomas: Je tousse depuis hier. Je vais consulter un médecin aujourd'hui. (Ik hoest sinds gisteren. Ik ga vandaag naar de dokter.)
4. Patron: Vous avez de la fièvre ? (Heeft u koorts?)
5. Thomas: Oui, j'ai 38 degrés. (Ja, ik heb 38 graden.)
6. Patron: C'est probablement la grippe. Vous devez vous reposer. (Dat is waarschijnlijk griep. U moet rust nemen.)
7. Thomas: Merci beaucoup. Je vais vous envoyer l'ordonnance pour justifier mon absence. (Dank u. Ik zal u het doktersvoorschrift sturen om mijn afwezigheid te verantwoorden.)
8. Patron: Très bien, merci. (Prima, bedankt.)

1. Pourquoi Thomas ne vient-il pas travailler aujourd'hui ?

(Waarom komt Thomas vandaag niet naar het werk?)

2. Qu'est-ce que Thomas va envoyer à son patron ?

(Wat zal Thomas naar zijn baas sturen?)