Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Quel âge a Clara ?
Quand est l'anniversaire de Thomas ?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Quel anniversaire ___-tu cette année ?
(Welke verjaardag ___ je dit jaar?)2. Est-ce que vous ___ votre anniversaire au bureau ?
(Vier je ___ jouw verjaardag op kantoor?)3. Cette année, je ___ mes 30 ans avec un gâteau.
(Dit jaar ___ ik mijn 30e verjaardag met een taart.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. À la pause-café au travail, un collègue fait connaissance avec toi et te demande ton âge. Réponds simplement. (Utilise : Quel âge ?, J’ai ... ans, Et toi ?)
(Tijdens de koffiepauze op je werk maakt een collega kennis met je en vraagt naar je leeftijd. Geef een kort antwoord. (Gebruik: Quel âge ?, J’ai ... ans, Et toi ?))J’ai ans.
(J’ai ... ans.)Voorbeeld:
J’ai 32 ans. Et toi, quel âge as-tu ?
(J’ai 32 ans. Et toi, quel âge as‑tu ?)2. Tu remplis un formulaire simple à l’accueil (salle de sport / bibliothèque). La personne te demande ton âge. Réponds et épelle le chiffre si besoin. (Utilise : l’âge, J’ai, ans)
(Je vult een eenvoudig formulier in bij de balie (sportschool / bibliotheek). De medewerker vraagt je leeftijd. Beantwoord en spel het cijfer indien nodig. (Gebruik: l’âge, J’ai, ans))Mon âge, c’est
(Mon âge, c’est ...)Voorbeeld:
Mon âge, c’est 28 ans.
(Mon âge, c’est 28 ans.)