Oefening 1: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 2: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Bulletin météo pour la journée de travail
Vul de lege plekken in: froid, fait beau, parapluie, vent, nuages, température, brouillard, chaud, pleuvoir
(Weerbericht voor de werkdag)
Ce matin, à Paris, il . Le ciel est bleu et il y a un peu de . La est de 18 degrés, il ne fait pas trop . Beaucoup de gens vont au travail à vélo ou à pied.
L’après-midi, le temps change. Il y a des et il commence à vers 16 heures. Après la pluie, il fait plus . Le soir, il ne fait pas très bon : il y a du vent et un peu de . Avant de sortir du bureau, prenez un manteau et un .Vanmorgen in Parijs is het mooi weer. De lucht is blauw en er staat een lichte wind. De temperatuur is 18 graden, het is niet te warm. Veel mensen gaan met de fiets of te voet naar het werk.
In de namiddag verandert het weer. Er zijn wolken en het begint rond 16.00 uur te regenen. Na de regen wordt het kouder. 's Avonds is het niet erg aangenaam: het waait en er hangt wat mist. Voordat u het kantoor verlaat, neemt u een jas en een paraplu mee.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Quelle est la situation à Paris ce matin ?
Quand est le rendez‑vous au café par rapport à la tempête ?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. En été, à Paris, il ___ souvent très chaud et il fait beau.
(In de zomer is het in Parijs ___ vaak heel warm en is het mooi weer.)2. En janvier, il ___ très froid et il ne fait pas soleil.
(In januari ___ het erg koud en schijnt de zon niet.)3. À midi, après le travail, nous ___ souvent une pause café pour parler de la météo.
('s Middags, na het werk, ___ we vaak een koffiepauze om over het weer te praten.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Tu arrives au travail le matin. Tu dis bonjour à un collègue et tu parles un peu du temps. (Utilise : Il fait beau / Il fait mauvais, aujourd’hui, ce matin)
(Je komt 's ochtends op je werk aan. Je zegt goedemorgen tegen een collega en praat kort over het weer. (Gebruik: Il fait beau / Il fait mauvais, aujourd'hui, ce matin))Aujourd’hui, il fait
(Aujourd'hui, il fait ...)Voorbeeld:
Aujourd’hui, il fait beau, il y a du soleil.
(Aujourd'hui, il fait beau, il y a du soleil.)2. Tu es à la pause café avec une collègue. Vous regardez par la fenêtre et il pleut beaucoup. Dis une phrase sur la pluie. (Utilise : La pluie, pleuvoir, beaucoup)
(Je bent tijdens de koffiepauze met een collega. Jullie kijken uit het raam en het regent hard. Zeg een zin over de regen. (Gebruik: La pluie, pleuvoir, beaucoup))En ce moment, il
(En ce moment, il ...)Voorbeeld:
En ce moment, il pleut, il y a beaucoup de pluie.
(En ce moment, il pleut, il y a beaucoup de pluie.)Oefening 7: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen om het weer van vandaag in uw stad te beschrijven en wat u vóór of na het werk doet.
Nuttige uitdrukkingen:
Aujourd’hui, il fait… / Le matin, il y a… / Après le travail, je… / Je prends un(e)… parce qu’il…