Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.
Qu'est-ce qui change pour le cours ?
Quel est son métier ?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Je ___ comme infirmière à l'hôpital.
(Ik ___ als verpleegkundige in het ziekenhuis.)2. Vous ___ où, à Paris ou à Lyon ?
(Werkt u waar, in Parijs of in Lyon?)3. Elle ___ le français et elle est étudiante à l'université.
(Zij ___ Frans en ze is studente aan de universiteit.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Vous arrivez dans une nouvelle équipe en France. Un collègue vous dit bonjour et vous demande ce que vous faites. Répondez simplement et dites aussi où vous travaillez. (Utilisez: un emploi, je travaille, dans + lieu)
(U komt in een nieuw team in Frankrijk. Een collega begroet u en vraagt wat voor werk u doet. Antwoord eenvoudig en zeg ook waar u werkt. (Gebruik: een baan, ik werk, in + plaats))J’ai un emploi
(Ik heb een baan ...)Voorbeeld:
J’ai un emploi dans une entreprise. Je travaille à Paris.
(Ik heb een baan bij een bedrijf. Ik werk in Parijs.)2. À une soirée, vous parlez avec une nouvelle personne. Vous voulez savoir quel est son métier. Posez la question poliment. (Utilisez: le métier, vous êtes, dans quoi)
(Op een feestje praat u met iemand die u nog niet kent. U wilt weten wat zijn/haar beroep is. Vraag het beleefd. (Gebruik: het beroep, u bent, waarin))Vous êtes ?
(U bent ... ?)Voorbeeld:
Vous êtes dans quoi, comme métier ?
(In wat voor beroep werkt u?)