Lessen

Studeren met een professionele docent

Vraag een docent aan

A1.7 - Beroepen en studies

A1.7 - Beroepen en studies - Oefeningen

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Toon antwoorden
1.
faites | métier | vous | Bonjour, | ? | quel
Bonjour, vous faites quel métier ?
(Hallo, wat voor werk doet u?)
2.
étudiant, | droit. | suis | Je | j'étudie | le
Je suis étudiant, j'étudie le droit.
(Ik ben student, ik studeer rechten.)
3.
l'hôpital. | infirmier | travaille | Je | à | comme
Je travaille comme infirmier à l'hôpital.
(Ik werk als verpleegkundige in het ziekenhuis.)
4.
est journaliste, | son travail. | elle aime | Mon amie
Mon amie est journaliste, elle aime son travail.
(Mijn vriendin is journaliste, ze houdt van haar werk.)
5.
sœur est | Mon frère | boulangère. | et ma | est boulanger
Mon frère est boulanger et ma sœur est boulangère.
(Mijn broer is bakker en mijn zus is bakkersvrouw.)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Je suis journaliste, je travaille à Paris. (Ik ben journalist, ik werk in Parijs.)
Tu es étudiant, tu étudies le français. (Jij bent student, je studeert Frans.)
Mon frère est boulanger, il travaille tôt le matin. (Mijn broer is bakker, hij werkt vroeg in de ochtend.)
Ma sœur est infirmière, elle travaille de nuit. (Mijn zus is verpleegkundige, zij werkt 's nachts.)

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Gratis FR

Audio voorbereiden…

FR + NL

Audio voorbereiden…

1. Qu'est-ce qui change pour le cours ?

(Wat verandert er voor de les?)
Gratis FR

Audio voorbereiden…

FR + NL

Audio voorbereiden…

2. Quel est son métier ?

(Wat is zijn beroep?)

Oefening 4: Werkwoordsvervoegingen

Instructie: Kies de juiste oplossing

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Je ___ comme infirmière à l'hôpital.

(Ik ___ als verpleegkundige in het ziekenhuis.)

2. Vous ___ où, à Paris ou à Lyon ?

(Werkt u waar, in Parijs of in Lyon?)

3. Elle ___ le français et elle est étudiante à l'université.

(Zij ___ Frans en ze is studente aan de universiteit.)

Oefening 5: Dialoogbegrip

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Gratis FR

Audio voorbereiden…

FR + NL

Audio voorbereiden…

Nouveau collègue à l'accueil

Agent d'accueil (Sonia): Show Bonjour monsieur, puis-je vous aider ?

(Goedendag meneer, kan ik u helpen?)

Nouveau collègue (Marc): Show Bonjour, je m'appelle Marc Leroy. Je travaille ici : je suis journaliste.

(Goedendag, ik heet Marc Leroy. Ik werk hier: ik ben journalist.)

Agent d'accueil (Sonia): Show D'accord. Votre bureau est au 3e étage.

(Oké. Uw kantoor is op de derde verdieping.)

Nouveau collègue (Marc): Show Merci beaucoup. Bonne journée !

(Hartelijk dank. Fijne dag!)


Open vragen:

1. Quel est le métier de Marc ?

Wat is Marc zijn beroep?

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Vous arrivez dans une nouvelle équipe en France. Un collègue vous dit bonjour et vous demande ce que vous faites. Répondez simplement et dites aussi où vous travaillez. (Utilisez: un emploi, je travaille, dans + lieu)

(U komt in een nieuw team in Frankrijk. Een collega begroet u en vraagt wat voor werk u doet. Antwoord eenvoudig en zeg ook waar u werkt. (Gebruik: een baan, ik werk, in + plaats))

J’ai un emploi    

(Ik heb een baan ...)

Voorbeeld:

J’ai un emploi dans une entreprise. Je travaille à Paris.

(Ik heb een baan bij een bedrijf. Ik werk in Parijs.)

2. À une soirée, vous parlez avec une nouvelle personne. Vous voulez savoir quel est son métier. Posez la question poliment. (Utilisez: le métier, vous êtes, dans quoi)

(Op een feestje praat u met iemand die u nog niet kent. U wilt weten wat zijn/haar beroep is. Vraag het beleefd. (Gebruik: het beroep, u bent, waarin))

Vous êtes     ?

(U bent ... ?)

Voorbeeld:

Vous êtes dans quoi, comme métier ?

(In wat voor beroep werkt u?)

Frans leren voor beginners: Stap voor stap leren, een A1 cursus met audio

ISBN 979-13-88253-36-2

Deze app ondersteunt dit boek.