A1.7 - Beroepen en studies - Oefeningen
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Toon antwoordenOefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Qu'est-ce qui change pour le cours ?
2. Quel est son métier ?
Oefening 4: Werkwoordsvervoegingen
Instructie: Kies de juiste oplossing
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Je ___ comme infirmière à l'hôpital.
(Ik ___ als verpleegkundige in het ziekenhuis.)2. Vous ___ où, à Paris ou à Lyon ?
(Werkt u waar, in Parijs of in Lyon?)3. Elle ___ le français et elle est étudiante à l'université.
(Zij ___ Frans en ze is studente aan de universiteit.)Oefening 5: Dialoogbegrip
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Nouveau collègue à l'accueil
Agent d'accueil (Sonia): Show Bonjour monsieur, puis-je vous aider ?
(Goedendag meneer, kan ik u helpen?)
Nouveau collègue (Marc): Show Bonjour, je m'appelle Marc Leroy. Je travaille ici : je suis journaliste.
(Goedendag, ik heet Marc Leroy. Ik werk hier: ik ben journalist.)
Agent d'accueil (Sonia): Show D'accord. Votre bureau est au 3e étage.
(Oké. Uw kantoor is op de derde verdieping.)
Nouveau collègue (Marc): Show Merci beaucoup. Bonne journée !
(Hartelijk dank. Fijne dag!)
Open vragen:
1. Quel est le métier de Marc ?
Wat is Marc zijn beroep?
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Vous arrivez dans une nouvelle équipe en France. Un collègue vous dit bonjour et vous demande ce que vous faites. Répondez simplement et dites aussi où vous travaillez. (Utilisez: un emploi, je travaille, dans + lieu)
(U komt in een nieuw team in Frankrijk. Een collega begroet u en vraagt wat voor werk u doet. Antwoord eenvoudig en zeg ook waar u werkt. (Gebruik: een baan, ik werk, in + plaats))J’ai un emploi
(Ik heb een baan ...)Voorbeeld:
J’ai un emploi dans une entreprise. Je travaille à Paris.
(Ik heb een baan bij een bedrijf. Ik werk in Parijs.)2. À une soirée, vous parlez avec une nouvelle personne. Vous voulez savoir quel est son métier. Posez la question poliment. (Utilisez: le métier, vous êtes, dans quoi)
(Op een feestje praat u met iemand die u nog niet kent. U wilt weten wat zijn/haar beroep is. Vraag het beleefd. (Gebruik: het beroep, u bent, waarin))Vous êtes ?
(U bent ... ?)Voorbeeld:
Vous êtes dans quoi, comme métier ?
(In wat voor beroep werkt u?)Frans leren voor beginners: Stap voor stap leren, een A1 cursus met audio
ISBN 979-13-88253-36-2
Deze app ondersteunt dit boek.