Apprendre à prononcer des sons de la langue française.

(Leren om klanken van de Franse taal uit te spreken.)

Klanken uit de tabel: zo herken je ze snel

  • M /m/: zoals NL mMonde
  • N /n/: zoals NL nNature
  • CH /ʃ/: zoals “sj” in NL sjaalCheval
  • C / S / Ç /s/: “s” — cinéma, souris, garçon
  • GN /ɲ/: zoals “nj” in Spanje — montagne
  • C / K / Q /k/: “k” — camion, ski, coq
  • G / J /ʒ/: zoals de “zh” in Engels visiongirafe, jeu
  • G /g/: harde “g” — guerre
  • H (muet): meestal niet uitspreken — Haricot

Vocalen: drie veelvoorkomende ‘valkuilen’

OI = /wa/ oiseau ≈ “wazo”
OU = /u/ hibou ≈ “iboe”
EAU / AU / O = /o/ haut, eau, moto
  • EU /ø/: lippen rond, tong vrij hoog — cheveu (≈ “sjö”)
  • ER / EZ / É /e/: “é” — manger, nez, musée
  • AI / ET / Ê / È /ɛ/: open “è” — vrai, complet, être, chèque

Neusklanken (nasalen): AN/ON/UN in één oogopslag

Tip: bij neusklanken gaat er lucht via de neus. Je spreekt de N of M meestal niet apart uit.

AN / EN / AM / EM = /ɑ̃/ enfant, chambre, emporter
ON / OM = /ɔ̃/ rond, tomber
UN / UM = /œ̃/ brun, parfum
  • Vergelijk: bon (/bɔ̃/) vs. bonne (/bɔn/) — bij bonne hoor je wél een duidelijke n.

Slotmedeklinkers: wanneer laat je ze weg?

In het Frans worden slotmedeklinkers vaak niet uitgesproken. Dat maakt Frans “vloeiender” dan je spelling doet vermoeden.

  • Julien → ongeveer “Zjuljɛ̃” (geen duidelijke n)
  • garçon → “garsɔ̃” (geen n)

Handig om te onthouden (niet perfect, maar nuttig op A1):

  • Veel slotletters zijn “stil”: -t, -s, -d, -p, -x.
  • Als er een e achter staat (bv. vrouwelijke vorm), komt de medeklinker vaak terug: petit (t stil) vs. petite (t hoorbaar).

Liaison: wanneer verbind je woorden?

Liaison = je spreekt een (normaal stille) slotmedeklinker tóch uit, omdat het volgende woord met een klinker of stomme h begint.

  • vous avez → “vouz avez”
  • les amis → “lez amis”
  • un enfant → “un enfant”

Waarom belangrijk? Het helpt je om Frans natuurlijker te laten klinken én beter te verstaan.

Geen liaison: 3 situaties uit je les

  • Tussen onderwerp en werkwoord:
    vous_z_avez (hier is vous geen onderwerp) maar: ils ont (wel liaison), terwijl in veel A1-materialen je als veilige regel meekrijgt: liever geen liaison tussen onderwerp en werkwoord als je twijfelt.
  • Met “et”:
    toi et elle → geen extra verbindingsklank.
  • Voor h aspiré (h “geblokt”):
    geen liaison en vaak ook geen elisie. (Dit leer je meestal woord voor woord.)

Snelle zelfcheck (30 seconden) voor je gesprek

  1. Zie je CH? Zeg “sj”.
  2. Zie je OI? Zeg “wa”.
  3. Zie je AN/ON/UN? Spreek de n/m niet apart uit.
  4. Eindigt een woord op een medeklinker? Meestal stil.
  5. Volgend woord begint met een klinker? Denk: misschien liaison (behalve bij et of bij twijfel: veilig uitspreken zonder liaison).

Mini-modelzinnen (professionele context)

  • Bonjour Monsieur, je m’appelle Julien. (slotletters niet “hard” uitspreken)
  • Comment tu t’appelles ? (vloeiend, zonder extra eindklanken)
  • J’ai un rendez-vous à huit heures.
    huit begint met een h muet: je zegt de h niet.
  1. De eindmedeklinkers worden meestal niet uitgesproken.
  2. In het Frans maak je de liaison tussen woorden. Dat betekent dat je de laatste letter van een woord verbindt met de eerste letter van het volgende woord.
M /m/ Monde (Wereld)N /n/ Nature  (Natuur )
CH /ʃ/ Cheval (Paard)C ou S ou Ç /s/ Cinéma, souris, garçon (Bioscoop, muis, jongen)
GN /ɲ/ Montagne (Berg)C ou K ou Q /k/ Camion, ski, coq (Vrachtwagen, ski, haan)
G ou J /ʒ/ Girafe, jeu (Giraffe, spel)H (muet) Haricot (Boon)
G /g/ Guerre (Oorlog)EAU ou AU ou O /o/Haut, eau, moto (Hoog, water, motor)
OI /wa/ Oiseau (Vogel)EU /ø/ Cheveu (Haar)
OU /u/ Hibou (Uil)UN ou UM /œ̃/ Brun, parfum (Bruin, parfum)
AN ou EN ou EM ou AM /ɑ̃/ Enfant, chambre, emporter (Kind, kamer, meemenemen)AIL ou EIL ou LL /aj/Travail, réveil, grille (Werk, ontwaken, rooster)
ON ou OM /ɔ̃/Rond, tomber (Rond, vallen)ER ou EZ ou É /e/ Manger, nez, musée (Eten, neus, museum)
AI ou ET ou Ê ou È /ɛ/ Vrai, complet, être, chèque (Echt, compleet, zijn, cheque)B /b/Bien (Goed)

Uitzonderingen!

  1. Je maakt geen liaison tussen het onderwerp en het werkwoord, met het woord "et", en met een geaspireerde "h".

Oefening 1: Grammatica in actie

Instructie: Stel uzelf voor en vraag naar de voornaam en achternaam van de ander.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
À l’accueil, vous rencontrez un nouveau collègue pour la première fois.
(Bij de receptie ontmoet je voor het eerst een nieuwe collega.)

Bespreek
  • Comment tu t’appelles et comment ça s’écrit ? (Hoe heet je en hoe schrijf je dat?)
  • Quel prénom utilises-tu au travail ? As-tu un surnom ? (Welke voornaam gebruik je op het werk? Heb je een bijnaam?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Bonjour Monsieur / Bonjour Madame (Goedendag meneer / Goedendag mevrouw)
  • Je m’appelle… / Mon nom est… (Ik heet… / Mijn naam is…)
  • Comment tu t’appelles ? / C’est Julien (Hoe heet je? / Hij/zij heet Julien)

Gebruik in gesprek
  • Prononcer les sons clés : /m/ /n/ /ʃ/ /s/ /k/ /ʒ/ (Spreek de belangrijkste klanken uit: /m/ /n/ /ʃ/ /s/ /k/ /ʒ/)
  • Ne pas prononcer les consonnes finales (par ex. Julien, garçon) (Laat de slotmedeklinkers weg uitspreken (bijv. Julien, garçon))

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Azéline Perrin

bacheloropleiding in toegepaste vreemde talen

Université de Lorraine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 06/03/2026 00:34