Ejercicio: Gespreksoefening

Instrucción:

  1. Describe la nacionalidad de cada persona. (Beschrijf de nationaliteit van elke persoon.)
  2. Di, ¿dónde viven actualmente? (Zeg waar ze momenteel wonen.)
  3. Di dónde vives. (Vertel waar je woont.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten