La combinación del verbo "ir" + a + infinitivo...

(De combinatie van het werkwoord "ir" + a + infinitivo... )

1. Wat doet ir + a + infinitivo precies?

  • Met ir + a + infinitivo zeg je wat je bent van plan te doen in de nabije toekomst.
  • Het lijkt op het Nederlands: “ik ga werken”, “jij gaat reizen”, “wij gaan koken”.
  • Je gebruikt het vooral als:
    • er een duidelijke planning is (morgen, volgende week, vanavond...).
    • het over iets relatief dichts bij nu gaat.

Belangrijk: in het Spaans verandert alleen het werkwoord ir. Het werkwoord in de infinitief (viajar, comer, trabajar...) blijft altijd in de basisvorm.

2. De basisformule in één oogopslag

Onthoud deze volgorde:

  • persoon + ir (vervoegd) + a + infinitief
Persoon Vorm van ir Voorbeeld (Spaans) Betekenis (Nederlands)
Yo voy Yo voy a viajar mañana. Ik ga morgen reizen.
vas Tú vas a descansar en enero. Jij gaat in januari uitrusten.
Él / Ella / Usted va Ella va a estudiar esta noche. Zij gaat vanavond studeren.
Nosotros / Nosotras vamos Nosotros vamos a viajar en verano. Wij gaan in de zomer reizen.
Vosotros / Vosotras vais Vosotros vais a comer fuera. Jullie gaan buiten de deur eten.
Ellos / Ellas / Ustedes van Ellos van a trabajar mañana. Zij gaan morgen werken.

3. Typische tijdwoorden en tijduitdrukkingen

Deze uitdrukkingen zie je vaak bij ir + a + infinitivo:

  • mañana – morgen
  • esta tarde – vanmiddag / vanavond
  • esta noche – vanavond / vannacht
  • la próxima semana – volgende week
  • el lunes / en marzo / en 2026 – op maandag / in maart / in 2026

Als je zo’n tijdwoord ziet, vraag jezelf:

  • “Is dit een concrete planning?” → Dan past ir + a + infinitivo vaak goed.

4. Stap-voor-stap: zo maak je zelf een zin

  1. Kies de persoon
    • yo, tú, él/ella, nosotros, vosotros, ellos...
  2. Kies de juiste vorm van ir
    • yo → voy
    • tú → vas
    • él/ella/usted → va
    • nosotros/as → vamos
    • vosotros/as → vais
    • ellos/ellas/ustedes → van
  3. Voeg altijd a toe
    • Dit kleine woordje hoort er altijd tussen: voy a trabajar.
  4. Gebruik het werkwoord in de infinitief
    • trabajar, comer, vivir, viajar, descansar, celebrar...
    • Geen uitgang veranderen. Dus niet voy a trabajo, maar voy a trabajar.

Voorbeeldstap:

  • Idee: “Wij gaan morgen een rapport lezen.”
  • Persoon: nosotros
  • Vorm van ir: vamos
  • Formule: vamos + a + leer
  • Definitieve zin: Mañana nosotros vamos a leer un informe.

5. Veelgemaakte fouten (en hoe je ze vermijdt)

  • 1. a vergeten
    • Voy trabajar mañana.
    • Goed: Voy a trabajar mañana.
    • Controle: hoor je in het Nederlands “ga werken”? → dan staat er in het Spaans meestal een a tussen.
  • 2. Het tweede werkwoord foutief vervoegen
    • Ella va a celebra.
    • Ella va celebrar.
    • Goed: Ella va a celebrar su cumpleaños.
    • Regel: na a komt altijd de infinitief (celebrar, viajar, comer...).
  • 3. De vorm van ir niet laten overeenkomen met de persoon
    • Yo vas a viajar.
    • Goed: Yo voy a viajar.
    • Snelle check: vergelijk met Nederlands:
      • ik ga → yo voy
      • jij gaat → tú vas
      • hij/zij gaat → él/ella va

6. Vragen en ontkenningen met ir + a + infinitivo

Goed nieuws: de structuur blijft bijna hetzelfde.

  • Vraag:
    • ¿Qué vas a hacer mañana? – Wat ga je morgen doen?
    • ¿Vais a viajar en verano? – Gaan jullie in de zomer reizen?
    • Je zet gewoon een vraagteken en vaak het onderwerp erna:
      • ¿Qué vas a hacer tú mañana?
  • Ontkenning:
    • Zet no vóór de vervoegde vorm van ir.
    • No voy a trabajar mañana. – Ik ga morgen niet werken.
    • Él no va a viajar en invierno. – Hij gaat in de winter niet reizen.

7. Zelfcontrole: kan ik dit al?

Beantwoord voor jezelf deze vragen. Als je overal “ja” zegt, heb je de basis onder controle.

  1. Herken ik de formule?
    • Ik weet dat het is: persoon + ir (vervoegd) + a + infinitief.
  2. Kan ik alle vormen van ir uit mijn hoofd?
    • voy, vas, va, vamos, vais, van.
  3. Laat ik het tweede werkwoord in de infinitief?
    • Ik schrijf voy a estudiar, niet voy a estudio.
  4. Kan ik een zin omzetten?
    • Van: Este viernes trabajo en casa.
    • Naar: Este viernes voy a trabajar en casa.
  5. Kan ik een vraag en een ontkenning maken?
    • ¿Qué vas a hacer esta tarde?
    • No vamos a viajar este año.

8. Mini-samenvatting om te onthouden

  • Functie: plannen / nabije toekomst, zoals Nederlands “gaan + infinitief”.
  • Structuur: persoon + voy/vas/va/vamos/vais/van + a + infinitief.
  • Infinitief: altijd basisvorm: trabajar, comer, vivir...
  • Ontkenning: no vóór ir: No voy a llamar.
  • Vraag: zelfde volgorde, met vraagtekens: ¿Vas a viajar?

Als je deze punten kent, kun je in het Spaans eenvoudig vertellen wat je binnenkort gaat doen – zowel privé als in professionele context.

  1. De formule is: "ir + a" + infinitivo .
  2. Gebruik deze structuur om over nabije toekomstige acties te spreken.
Pronombre (Voornaamwoord)Fórmula (Formule)Ejemplo (Voorbeeld)
YoVoy + a + infinitivoYo voy a viajar en octubre. (Ik ga reizen in oktober.)
Vas + a + infinitivovas a descansar en verano. (Jij gaat uitrusten in de zomer.)
Él/Ella/UstedVa + a + infinitivoElla va a celebrar su cumpleaños en septiembre. (Zij gaat haar verjaardag vieren in september.)
Nosotros/NosotrasVamos + a + infinitivoNosotros vamos a disfrutar de la nieve en invierno. (Wij gaan genieten van de sneeuw in de winter.)
Vosotros/VosotrasVais + a + infinitivoVosotros vais a visitar Italia en otoño.  (Jullie gaan Italië bezoeken in de herfst.)
Ellos/Ellas/UstedesVan + a + infinitivoEllas van a empezar una nueva rutina en enero. (Zij gaan een nieuwe routine beginnen in januari.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. En julio nosotros ________ descansar una semana en la costa de Valencia.

In juli gaan wij ________ een week uitrusten aan de kust van Valencia.)

2. En septiembre tú ________ empezar un nuevo proyecto en la empresa.

In september ga jij ________ een nieuw project starten in het bedrijf.)

3. En diciembre ellos ________ visitar a sus padres para Navidad.

In december gaan zij ________ hun ouders bezoeken met Kerstmis.)

4. El lunes yo ________ llamar al cliente para confirmar la reunión de marzo.

Op maandag ga ik ________ de klant bellen om de vergadering van maart te bevestigen.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen in de nabije toekomst met de juiste vorm van "ir a + infinitief" (voorbeeld: Yo trabajo mañana → Yo voy a trabajar mañana).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Mañana yo escribo un correo a mi jefe.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mañana yo voy a escribir un correo a mi jefe.
    (Mañana yo voy a escribir un correo a mi jefe.)
  2. Hint Hint (Tú) ¿Cuándo tú tomas las vacaciones? (julio)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Tú vas a tomar las vacaciones en julio.
    (Tú vas a tomar las vacaciones en julio.)
  3. Hint Hint (El lunes ella) El lunes ella tiene una reunión importante.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    El lunes ella va a tener una reunión importante.
    (El lunes ella va a tener una reunión importante.)
  4. Hint Hint (Este invierno nosotros) Este invierno nosotros viajamos a los Pirineos por trabajo.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Este invierno nosotros vamos a viajar a los Pirineos por trabajo.
    (Este invierno nosotros vamos a viajar a los Pirineos por trabajo.)
  5. Hint Hint (Este otoño vosotros) Este otoño vosotros visitáis a unos clientes en Italia.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Este otoño vosotros vais a visitar a unos clientes en Italia.
    (Este otoño vosotros vais a visitar a unos clientes en Italia.)
  6. Hint Hint (La próxima semana ellos) La próxima semana ellos empiezan un nuevo proyecto.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    La próxima semana ellos van a empezar un nuevo proyecto.
    (La próxima semana ellos van a empezar un nuevo proyecto.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek met je partner wanneer en wat jullie bij elk seizoen gaan doen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
En la oficina, vais a planificar las vacaciones del equipo según las estaciones.
(Op kantoor gaan jullie de vakanties van het team plannen volgens de seizoenen.)

Bespreek
  • ¿Qué vas a hacer en primavera? ¿En qué mes exactamente? (Wat ga je in de lente doen? In welke maand precies?)
  • En verano, ¿a dónde vais a ir y con quién? Explica brevemente. (In de zomer: waar gaan jullie heen en met wie? Leg het kort uit.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • En verano voy a viajar en julio. (In de zomer ga ik in juli op reis.)
  • En invierno vamos a ir a la montaña en diciembre. (In de winter gaan we in december naar de bergen.)
  • En primavera voy a cambiar mi rutina en marzo. (In de lente ga ik in maart mijn routine veranderen.)

Gebruik in gesprek
  • Yo voy a + infinitivo (Ik ga + infinitief)
  • Nosotros vamos a + infinitivo (Wij gaan + infinitief)
  • ¿Qué vas a + infinitivo? (Wat ga jij + infinitief?)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage