Leer hoe je met "decir que" direct citaat omzet in indirecte rede in het Spaans, bijvoorbeeld: "Juan dice que va al museo" of "Ana dice que le encanta el arte". Focus op het gebruik van de structuur sujeto + decir que + acción in tegenwoordige tijd.
  1. De indirecte rede formuleert zinnen om. Voorbeeld: "Él dice que va al museo".
  2. De structuur is subject + decir que + actie.
  3. "Decir que" verandert de tijd niet in de tegenwoordige tijd.
Discurso directo (Directe rede)Discurso indirecto (Indirecte rede)
Juan "Voy al museo". (Juan zegt dat hij naar het museum gaat.)Juan dice que (él) va al museo. (Juan zegt dat (hij) naar het museum gaat.)
Ana: "Me encanta el arte". (Ana zegt dat ze van kunst houdt.)Ana dice que le encanta el arte. (Ana zegt dat ze dol is op kunst.)
Pedro: "Escucho la radio". (Pedro zegt dat (hij) naar de radio luistert.)Pedro dice que (él) escucha la radio. (Pedro zegt dat (hij) naar de radio luistert.)
Eva: "Tengo la invitación". (Eva zegt dat zij de uitnodiging heeft.)Eva dice que (ella) tiene la invitación. (Eva zegt dat (zij) de uitnodiging heeft.)

Oefening 1: El discurso indirecto: "Decir que"

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

dice que (él) va, dice que le, dice que (él), dice que (ella)

1. Eva: "Canto bien":
Eva ... canta bien.
(Eva zegt dat ze goed zingt.)
2. Juan: "Me gusta la música":
Juan ... gusta la música.
(Juan zegt dat hij van muziek houdt.)
3. Ana: "Canto en el evento":
Ana ... canta en el evento.
(Ana zegt dat ze zingt op het evenement.)
4. Pedro: "Voy a la discoteca":
Pedro ... va a la discoteca.
(Pedro zegt dat hij naar de discotheek gaat.)
5. Ana: "Me encanta el museo":
Ana ... encanta el museo.
(Ana zegt dat ze dol is op het museum.)
6. Eva: "Recibo una invitación":
Eva ... recibe una invitación.
(Eva zegt dat zij een uitnodiging ontvangt.)
7. Juan: "Voy a la discoteca los viernes":
Juan ... va a la discoteca los viernes.
(Juan zegt dat hij op vrijdag naar de disco gaat.)
8. Juan: "Voy al concierto el viernes":
Juan ... al concierto el viernes.
(Juan zegt dat hij vrijdag naar het concert gaat.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ana dice que ella ___ en la exposición.

(Ana zegt dat zij ___ op de tentoonstelling.)

2. Pedro dice que él ___ al museo.

(Pedro zegt dat hij ___ naar het museum gaat.)

3. Eva dice que ___ la invitación para el evento.

(Eva zegt dat zij ___ de uitnodiging voor het evenement heeft.)

4. Juan dice que él ___ la radio todas las mañanas.

(Juan zegt dat hij ___ elke ochtend naar de radio luistert.)

5. Ana dice que ___ gusta la obra de arte en la exposición.

(Ana zegt dat ___ houdt van het kunstwerk op de tentoonstelling.)

6. Pedro dice que él ___ a la discoteca esta noche.

(Pedro zegt dat hij ___ vanavond naar de discotheek gaat.)

Inleiding tot het indirecte spreken met "decir que"

In deze les leer je hoe je in het Spaans het discurso indirecto (indirecte rede) gebruikt met de uitdrukking "decir que". Deze structuur helpt je om te vertellen wat iemand anders heeft gezegd zonder hun exacte woorden te herhalen. Je krijgt uitleg, voorbeelden en belangrijke aanwijzingen om dit goed te begrijpen en toe te passen.

Wat is discours indirect?

Het indirecte spreken geeft weer wat iemand heeft gezegd, maar dan anders geformuleerd. Dit is anders dan het discurso directo, waarbij je precies aanhaalt wat persoon X zei, bijvoorbeeld: Juan zei: "Voy al museo".

In het indirecte discours verander je dat meestal in: Juan dice que él va al museo.

De structuur van "decir que"

  • Sujeto (onderwerp) + decir que + acción (de mededeling)
  • Voorbeelden:
    Juan dice que (él) va al museo.
    Ana dice que le encanta el arte.

Belangrijke grammaticale aandachtspunten

  • Tijden veranderen niet wanneer je in de tegenwoordige tijd zit: bijvoorbeeld, dice que va blijft in dezelfde tijd.
  • Persoonlijke voornaamwoorden (zoals él, ella) kunnen gebruikt worden voor duidelijkheid, maar zijn niet altijd noodzakelijk.

Voorbeelden uit de les

Discurso directoDiscurso indirecto
Juan: "Voy al museo".Juan dice que (él) va al museo.
Ana: "Me encanta el arte".Ana dice que le encanta el arte.
Pedro: "Escucho la radio".Pedro dice que (él) escucha la radio.
Eva: "Tengo la invitación".Eva dice que (ella) tiene la invitación.

Nederlandse vergelijking en nuttige zinnen

In het Nederlands gebruiken we vaak 'zeggen dat' om indirecte rede aan te geven, vergelijkbaar met decir que in het Spaans. Een voorbeeld:

  • Direct: Juan zegt: "Ik ga naar het museum."
  • Indirect: Juan zegt dat hij naar het museum gaat.

Let op dat in het Spaans in de tegenwoordige tijd de werkwoordstijd bij indirecte rede niet verandert, terwijl dit in het Nederlands ook zo is. Een handig onderscheid is dat het Spaanse indirecte spreken vaak eenvoudiger is qua tijdsverandering, vooral bij decir que.

Nuttige woorden en zinnen om te onthouden:

  • Decir que: zeggen dat
  • Va: hij/zij gaat
  • Le encanta: hij/zij vindt ... geweldig
  • Tiene: hij/zij heeft
  • Escucha: hij/zij luistert

Samenvatting

Deze les behandelt het gebruik van "decir que" in de indirecte rede in het Spaans. Je hebt geleerd hoe je een directe uitspraak omzet in een indirecte mededeling, welke structuur je gebruikt en dat de tijd in de tegenwoordige tijd niet verandert. Dit is een fundamentele vaardigheid om gesprekken en citaten goed weer te geven in het Spaans.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Alessia Calcagni

Talen voor communicatie in internationale ondernemingen en organisaties

Università degli Studi di Modena e Reggio Emilia

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 17/07/2025 21:29