Las expresiones de lugar son palabras o frases que usamos para indicar dónde está algo o alguien. Son esenciales para dar o entender direcciones y ubicaciones.

(Plaatsbepalingen zijn woorden of uitdrukkingen die we gebruiken om aan te geven waar iets of iemand is. Ze zijn essentieel om aanwijzingen en locaties te geven of te begrijpen.)

Wat leer je in dit hoofdstuk?

  • Je kunt zeggen waar iets is: links, rechts, in het centrum…
  • Je kunt eenvoudige routes geven: rechtdoor, dan links, enz.
  • Je weet wanneer je de nodig hebt: a la derecha de la estación.

1. Twee groepen uitdrukkingen: richting & afstand

Maak in je hoofd twee doosjes.

  • Richting / precieze positie: waar precies?
    • a la izquierda (de) – links (van)
    • a la derecha (de) – rechts (van)
    • todo recto – rechtdoor
    • en el centro (de) – in het centrum (van)
    • al lado de – naast
    • en frente de – tegenover
  • Afstand / nabijheid: hoe ver?
    • cerca de – dicht bij
    • lejos de – ver van

Vraag jezelf bij elke zin: beschrijf ik richting/plek of afstand?

2. Met of zonder "de"?

Heel belangrijk (en heel Spaans):

  • Zonder zelfstandig naamwoord: meestal geen de.
  • Met zelfstandig naamwoord: vaak wel de.
Alleen uitdrukking Met plaats erachter
La tienda está a la derecha.
De winkel is rechts.
La tienda está a la derecha de la plaza.
De winkel is rechts van het plein.
La oficina está en el centro.
Het kantoor is in het centrum.
La oficina está en el centro de la ciudad.
Het kantoor is in het centrum van de stad.
La estación está cerca.
Het station is dichtbij.
La estación está cerca de la plaza.
Het station is dichtbij het plein.
La tienda está lejos.
De winkel is ver weg.
La tienda está lejos de la estación.
De winkel is ver van het station.
  • Met zelfstandig naamwoord (plaza, estación, ciudad…)? → denk: “in het Nederlands zeg ik ‘van’ → in het Spaans bijna altijd de.”
  • Vaste combinatie: al lado de is altijd met de:
    • al lado la estaciónal lado de la estación

3. Let op vaste combinaties (vorm + lidwoord)

Een paar combinaties gedraagden zich als één blokje. Zo hoef je niet steeds los te denken:

Spaans Letterlijk Let op
a la izquierda (de) naar de linkerkant (van) altijd a la, nooit en la izquierda om locatie van iets aan te geven
a la derecha (de) naar de rechterkant (van) zelfde regel: a la, niet en la derecha
en el centro (de) in het centrum (van) let op het lidwoord: el
en frente de recht tegenover gebruik de hele uitdrukking en frente de, niet los frente
al lado de aan de kant van > naast a + el lado deal lado de

Tip: oefen deze blokjes hardop als één geheel: a-la-izquierda-de-la-plaza, al-lado-de-la-estación.

4. Routes geven: volgorde in de zin

Een simpele basisstructuur voor aanwijzingen:

  1. Werkwoord van beweging (ir, seguir, girar…)
  2. Hoe je gaat (todo recto, a la derecha…)
  3. Tot waar je gaat (hasta + plaats)
  • Tienes que ir todo recto hasta llegar al parque.
    Je moet rechtdoor gaan tot je bij het park komt.
  • Luego giras a la izquierda en la esquina.
    Dan sla je linksaf op de hoek.

Je kunt ook eerst de plaats zeggen, dan de positie:

  • El banco está al lado de la oficina de información.
  • La parada está a la izquierda de la estación.

5. Typische fouten voor Nederlandstaligen

  • "naar" = a, "in/op" = en
    • a la izquierda / a la derecha (niet en la izquierda / en la derecha voor positie naast iets)
    • en el centro (niet a el centro of al centro voor locatie)
  • "van" vergeten
    • a la derecha la plazaa la derecha de la plaza
    • cerca la estacióncerca de la estación
  • "todo recto" veranderen
    • Laat het zo: todo recto, niet muy recto of todo derecho.

6. Mini-checklist: kan ik dit al?

Beantwoord deze vragen voor jezelf. Als het antwoord "ja" is, zit je goed.

  1. Kan ik zonder naamwoord zeggen waar iets is?
    La parada está a la derecha / en el centro / cerca.
  2. Kan ik met naamwoord automatisch de toevoegen?
    La parada está a la derecha de la estación / cerca de la plaza.
  3. Ken ik de vaste blokjes uit mijn hoofd?
    a la izquierda (de), a la derecha (de), en el centro (de), al lado de, en frente de, cerca de, lejos de, todo recto
  4. Kan ik één eenvoudige route in 2–3 zinnen geven?
    Bijv.: Vas todo recto, luego giras a la izquierda. El hotel está en el centro de la ciudad.

Als één punt nog lastig voelt, lees die sectie nog eens kort en maak dan direct een paar eigen voorbeeldzinnen.

  1. Gebruik uitdrukkingen zoals "a la izquierda", "a la derecha", "todo recto", "en el centro", "al lado de", "en frente de" om een exacte positie of richting aan te geven.
  2. Gebruik uitdrukkingen zoals "cerca de", "lejos de" om nabijheid of een relatieve ligging aan te geven.
  3. Om een locatie uit te drukken combineer je meestal het voorzetsel "de" met een bijwoord "cerca, lejos, en frente..." .
Expresión de lugar (Plaatsbepaling)Ejemplo (Voorbeeld)
A la izquierda (Links)La tienda está a la izquierda de la plaza. (De winkel is links van het plein.)
A la derecha (Rechts)La parada está a la derecha de la estación. (De halte is rechts van het station.)
Todo recto (Rechtdoor)Tienes que ir todo recto hasta llegar al parque. (Je moet rechtdoor gaan tot je bij het park bent.)
En el centro (In het centrum)La oficina de información está en el centro de la ciudad. (Het informatiekantoor is in het centrum van de stad.)
Al lado de (Naast)El banco está al lado de la oficina de información. (De bank is naast het informatiekantoor.)
En frente de (Tegenover)El parque está en frente de la plaza. (Het park ligt tegenover het plein.)
Cerca de (Dicht bij)La estación está cerca de la plaza. (Het station is dicht bij het plein.)
Lejos de (Ver van)La tienda está lejos de la estación. (De winkel is ver van het station.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. El parque está ___ de la ciudad, cerca de la plaza principal.

El parque está ___ de la ciudad, cerca de la plaza principal.)

2. La oficina de información está ___ de la estación de tren.

La oficina de información está ___ de la estación de tren.)

3. Vas ___ por esta calle y la plaza está en frente de la tienda.

Vas ___ por esta calle y la plaza está en frente de la tienda.)

4. La parada de autobús está ___ la oficina; no está lejos de aquí.

La parada de autobús está ___ la oficina; no está lejos de aquí.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met de juiste plaatsuitdrukking die tussen haakjes staat aangegeven (links, rechts, rechtdoor, in het midden, naast, tegenover, dicht bij, ver van).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (a la derecha) La farmacia de la estación.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    La farmacia está a la derecha de la estación.
    (De apotheek is rechts van het station.)
  2. Hint Hint (en frente de) La biblioteca de la plaza mayor.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    La biblioteca está en frente de la plaza mayor.
    (De bibliotheek is tegenover het grote plein.)
  3. Hint Hint (todo recto) Tienes que ir hasta la oficina de correos.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Tienes que ir todo recto hasta la oficina de correos.
    (Je moet rechtdoor lopen tot het postkantoor.)
  4. Hint Hint (en el centro) El hotel de la ciudad.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    El hotel está en el centro de la ciudad.
    (Het hotel ligt in het centrum van de stad.)
  5. Hint Hint (al lado de) El banco la oficina de turismo.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    El banco está al lado de la oficina de turismo.
    (De bank is naast het VVV-kantoor.)
  6. Hint Hint (lejos de) Mi piso la estación de tren.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mi piso está lejos de la estación de tren.
    (Mijn appartement is ver van het treinstation.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: In paren: de ene vraagt om aanwijzingen en de ander legt uit hoe je er komt.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Estás en una ciudad nueva y necesitas encontrar la oficina de información.
(Je bent in een nieuwe stad en moet het VVV-kantoor vinden.)

Bespreek
  • ¿Qué lugar buscas primero cuando llegas al centro de una ciudad nueva? (Welke plek zoek je als eerste wanneer je in het centrum van een nieuwe stad aankomt?)
  • ¿Prefieres un hotel cerca de la estación o cerca de la plaza? ¿Por qué? (Heb je liever een hotel dichtbij het station of dichtbij het plein? Waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • La oficina de información está en el centro, cerca de la plaza. (Het VVV-kantoor is in het centrum, dicht bij het plein.)
  • Ve todo recto; la estación queda a la derecha del parque. (Ga rechtdoor; het station ligt rechts van het park.)
  • La parada está al lado de la tienda, enfrente de la plaza principal. (De halte is naast de winkel, tegenover het hoofdplein.)

Gebruik in gesprek
  • a la izquierda / a la derecha / todo recto (links / rechts / rechtdoor)
  • en el centro / cerca de / lejos de (in het centrum / dichtbij / ver van)
  • al lado de / en frente de (naast / tegenover)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage