Ejercicio: Gespreksoefening

Instrucción:

  1. Nombra el tipo de deporte y di si lo practicas en equipo (o en pareja) o solo. (Noem de sport en zeg of je het in teamverband (of als duo) of alleen doet.)
  2. ¿Haces deporte? ¿Con qué frecuencia? (Doe je aan sport? Hoe vaak?)
  3. ¿Te gusta ver deportes? (Hou je van sport kijken?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten