Leer los números ordinales básicos en español como primero, segundo, tercer y cuarto, para describir posiciones y ordenar eventos, por ejemplo: "Estoy en el primer piso" o "El tercer día es importante."
Luister- en leesmateriaal
Oefen woordenschat in context met echte materialen.
Woordenschat (11) Delen Gekopieerd!
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Kom de vertalingen overeen
Oefening 3: Clusteren van woorden
Instructie: Classificeer de woorden op basis van of ze een positie aan het begin of richting het midden en einde van een reeks aangeven.
Posiciones al principio de una secuencia
Posiciones en la mitad o final de una secuencia
Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin
Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.
1
El sexto
De zesde
2
El primero
De eerste
3
El segundo
De tweede
4
El octavo
De achtste
5
El cuarto
De vierde
Ejercicio 5: Gespreksoefening
Instrucción:
- Op welke verdieping woont elke persoon? (Op welke verdieping woont elke persoon?)
- Woon je in een appartement? Op welke verdieping woon je? (Woon je in een appartement? Op welke verdieping woon je?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
Stevan vive en el noveno piso. Stevan woont op de negende verdieping. |
Catherine vive en el décimo piso. Catherine woont op de tiende verdieping. |
Giulia vive en el primer piso. Giulia woont op de eerste verdieping. |
Vives en un apartamento en el sexto piso. Je woont in een appartement op de zesde verdieping. |
¿En qué piso vives? Op welke verdieping woon je? |
Vivo en la planta baja. Ik woon op de begane grond. |
... |
Oefening 6: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 7: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Yo __________ que la primera reunión fue el lunes pasado.
(Ik __________ dat de eerste vergadering afgelopen maandag was.)2. Tú __________ la segunda temporada que vimos en la televisión.
(Jij __________ het tweede seizoen dat we op televisie zagen.)3. Él __________ que el tercer día suele hacer buen tiempo.
(Hij __________ dat het derde dagdeel meestal goed weer is.)4. Nosotros __________ la quinta planta del edificio donde trabajamos.
(Wij __________ de vijfde verdieping van het gebouw waar we werken.)Oefening 8: Mijn weekagenda met de rangtelwoorden
Instructie:
Werkwoordschema's
Recordar - Herinneren
Presente
- yo recuerdo
- tú recuerdas
- él/ella/usted recuerda
- nosotros/nosotras recordamos
- vosotros/vosotras recordáis
- ellos/ellas/ustedes recuerdan
Trabajar - Werken
Presente
- yo trabajo
- tú trabajas
- él/ella/usted trabaja
- nosotros/nosotras trabajamos
- vosotros/vosotras trabajáis
- ellos/ellas/ustedes trabajan
Tener - Hebben
Presente
- yo tengo
- tú tienes
- él/ella/usted tiene
- nosotros/nosotras tenemos
- vosotros/vosotras tenéis
- ellos/ellas/ustedes tienen
Gustar - Houden van
Presente
- (a mí) me gusta
- (a ti) te gusta
- (a él/ella/usted) le gusta
- (a nosotros/nosotras) nos gusta
- (a vosotros/vosotras) os gusta
- (a ellos/ellas/ustedes) les gusta
Descansar - Rustten
Presente
- yo descanso
- tú descansas
- él/ella/usted descansa
- nosotros/nosotras descansamos
- vosotros/vosotras descansáis
- ellos/ellas/ustedes descansan
Oefening 9: Los números ordinales
Instructie: Vul het juiste woord in.
Grammatica: De rangtelwoorden
Toon vertaling Toon antwoordenséptimo, quinto, primer, sexto, cuarta, primero, tercer, octavo
Grammatica Delen Gekopieerd!
We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!
Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les Delen Gekopieerd!
Recordar herinneren Delen Gekopieerd!
Presente
Spaans | Nederlands |
---|---|
(yo) recuerdo | ik herinner me |
(tú) recuerdas | jij herinnert je |
(él/ella) recuerda | hij/zij herinnert |
(nosotros/nosotras) recordamos | wij herinneren |
(vosotros/vosotras) recordáis | jullie herinneren |
(ellos/ellas) recuerdan | zij herinneren |
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Spaans oefenen? Dat is mogelijk! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Introductie tot Spaanse rangtelwoorden
In deze les leer je over números ordinales, oftewel rangtelwoorden in het Spaans. Rangtelwoorden worden gebruikt om een positie of volgorde aan te geven, zoals "de eerste", "de tweede", "de derde", enzovoort. Het is een onmisbare vaardigheid om jezelf duidelijk uit te drukken over volgordes, ruimtes en momenten.
Wat leer je in deze les?
Je krijgt inzicht in de meest gebruikte Spaanse rangtelwoorden van primero (de eerste) tot décimo (de tiende). De les bevat zinnen die laten zien hoe je deze woorden in dagelijkse situaties gebruikt, zoals in een gebouw: "Estoy en el primer piso del edificio", of in de klas: "Hoy es el octavo día de clases". Ook leer je hoe je gesprekken voert waarin rangtelwoorden belangrijk zijn, bijvoorbeeld bij het reserveren van een tafel in een restaurant of het vinden van een hotelkamer.
Voorbeelden van veel voorkomende rangtelwoorden
- el primero – de eerste
- el segundo – de tweede
- el tercero – de derde
- el cuarto – de vierde
- el quinto – de vijfde
- el sexto – de zesde
- el séptimo – de zevende
- el décimo – de tiende
Gebruik en functies in context
Rangtelwoorden worden vaak gebruikt om posities in een reeks aan te geven, bijvoorbeeld:
"Mi amigo vive en el cuarto apartamento del segundo piso." En ze zijn essentieel bij het uitdrukken van volgorde in tijd, zoals kalenderdagen of activiteiten, bijvoorbeeld:
"El décimo día viajamos a la costa para descansar."
Specifieke uitleg en aandachtspunten
De rangtelwoorden primero, tercero en grande kunnen in bepaalde situaties een onregelmatige vorm aannemen ("primer", "tercer"), vooral wanneer ze vóór een mannelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord staan. Dit is iets om op te letten tijdens het leren.
Verschillen en overeenkomsten tussen Nederlands en Spaans
In het Nederlands worden rangtelwoorden vaak gevormd door toevoeging van -de of -ste, zoals "eerste", "tweede", "derde". In het Spaans zijn deze woorden zelfstandige woorden die je afzonderlijk gebruikt en meervoud en geslacht kunnen aanpassen, bijvoorbeeld el primer día (de eerste dag) maar la primera vez (de eerste keer). Ook worden de rangtelwoorden vaak voorafgegaan door het lidwoord el, la, of los/las.
Een handige uitdrukking om te onthouden is "Estoy en el primer piso" (Ik ben op de eerste verdieping). In het Nederlands zeggen we ook "op de eerste verdieping" maar in het Spaans gebruik je het lidwoord en de rangtelwoorden als een aparte eenheid.
Samenvatting
Deze les helpt je met het herkennen en toepassen van Spaanse rangtelwoorden in verschillende contexten. Je leert hoe ze gevormd worden en hoe je ze in praktische situaties gebruikt. Dit vergroot je woordenschat en maakt jouw Spaanse communicatie natuurlijker en preciezer.