Leer cómo expresar preferencias y aversiones en español usando "me gusta" y "no me gusta" con el verbo gustar y pronombres indirectos como me, te y le.
  1. Het werkwoord gustar wordt vervoegd in de derde persoon enkelvoud of meervoud, afhankelijk van het object dat volgt.
  2. Gebruik de indirecte voornaamwoorden me, te, le, nos, os, les voor het werkwoord gustar.
Expresión (Uitdrukking)Verbo (Werkwoord)Ejemplo (Voorbeeld)
Positiva (Positief)GustarMe gusta el color azul. (Ik hou van de kleur blauw.)
Te gustan los coches rojos. (Je houdt van rode auto's.)
Le gustan las pinturas con muchos colores. (Hij houdt van schilderijen met veel kleuren.)
Negativa (Negatief)No gustarNo nos gusta el chocolate blanco. (Wij houden niet van witte chocolade.)
No os gusta el té verde. (Jullie houden niet van groene thee.)
No les gusta el color marrón. (Ze houden niet van de bruine kleur.)

Uitzonderingen!

  1. Je kunt a mí, a tí, a él/ella, a nosotros, a vosotros, a ellos/ellas voor het werkwoord gebruiken.

Oefening 1: Expresar gustos y disgustos: (no) me gusta

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

no les gusta, te gustan, no os gusta, le gusta, no le gustan, me gustan, me gusta, os gusta

1. Gustar:
A vosotros ... muchas cosas.
(Jullie houden van veel dingen.)
2. No gustar:
A vosotros ... el color violeta.
(Jullie houden niet van de kleur paars.)
3. Gustar:
A mí ... las mujeres con labios rojos.
(Ik hou van vrouwen met rode lippen.)
4. Gustar:
A tí ... todos los colores.
(Jij houdt van alle kleuren.)
5. No gustar:
A ellos ... llevar ropa negra.
(Zij houden er niet van om zwarte kleding te dragen.)
6. No gustar:
A él ... los frutos rojos.
(Hij houdt niet van rood fruit.)
7. Gustar:
A ella ... maquillarse.
(Ze houdt ervan zich op te maken.)
8. Gustar:
A mí ... el color rosa.
(Ik houd van de kleur roze.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Me gusta mucho el color ___ porque es muy relajante.

(Ik hou heel veel van de kleur ___ omdat het heel ontspannend is.)

2. No me gusta el color ___ para la ropa de verano.

(Ik hou niet van de kleur ___ voor zomerkleding.)

3. A ella le gusta ___ los labios de rojo.

(Zij houdt ervan haar lippen ___ rood te maken.)

4. Nos gustan los zapatos ___ y rosas para la primavera.

(Wij houden van ___ en roze schoenen voor de lente.)

5. No te gusta mucho el color ___ porque prefieres los colores vivos.

(Je houdt niet zo van de kleur ___ omdat je liever felle kleuren hebt.)

6. Me gusta ___ con colores violetas y naranjas para la fiesta.

(Ik houd ervan ___ met paarse en oranje kleuren voor het feest.)

Expresar gustos y disgustos: (no) me gusta

In deze les leer je hoe je in het Spaans kunt uitdrukken wat je leuk vindt en wat je niet leuk vindt met behulp van de werkwoorden gustar en no gustar. Dit is een belangrijke vaardigheid om gevoelens en voorkeuren te delen in alledaagse gesprekken.

De basis van "gustar"

Het werkwoord gustar betekent letterlijk "behagen" of "leuk vinden". Het wordt gebruikt om te zeggen dat iets je wel of niet aanstaat. Belangrijk is dat het werkwoord altijd wordt vervoegd in de derde persoon, altijd afhankelijk van het onderwerp dat je leuk vindt.

Voorbeelden van positieve uitdrukkingen zijn:

  • Me gusta el color azul.
  • Te gustan los coches rojos.
  • Le gustan las pinturas con muchos colores.

En voor negatieve uitdrukkingen:

  • No nos gusta el chocolate blanco.
  • No os gusta el té verde.
  • No les gusta el color marrón.

Belangrijke principes

  • De vervoeging van gustar is afhankelijk van het voorwerp dat je leuk vindt (gusta voor enkelvoud, gustan voor meervoud).
  • Je gebruikt altijd een indirect objectvoornaamwoord (me, te, le, nos, os, les) vóór het werkwoord.
  • Je kunt ook nadruk leggen met uitdrukkingen zoals a mí, a ti, a él/ella, a nosotros, a vosotros, a ellos/ellas.
  • Je drukt intensiteit uit met woorden als mucho: bijvoorbeeld me gusta mucho.

Verschillen tussen Spaans en Nederlands

In het Nederlands zeggen we gewoon "ik houd van" of "ik vind leuk", terwijl het Spaans voor deze uitdrukking gebruikmaakt van een structurele omkering: letterlijk "aan mij bevalt het". Daarom zijn de zinsdelen omgedraaid ten opzichte van het Nederlands, wat vaak wennen is.
Daarnaast zijn de indirecte voornaamwoorden in het Spaans essentieel en kunnen ze niet worden weggelaten, wat in het Nederlands niet nodig is.

Enkele nuttige overeenkomende woorden en uitdrukkingen:

  • gustar = leuk vinden, bevallen
  • me gusta = ik vind leuk
  • no me gusta = ik vind niet leuk
  • a mí me gusta = ik vind echt leuk (extra nadruk)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage