En español existen dos tipos de artículos: los artículos definidos y los artículos indefinidos.

(In het Spaans bestaan er twee soorten lidwoorden: bepaalde lidwoorden en onbepaalde lidwoorden.)

Wat doen lidwoorden in het Spaans?

In het Spaans staan lidwoorden altijd vóór het zelfstandig naamwoord.

Ze vertellen twee dingen:

  • Geslacht: mannelijk (masculino) of vrouwelijk (femenino)
  • Getal: enkelvoud (singular) of meervoud (plural)

Ze werken dus als een team met het zelfstandig naamwoord: ze moeten hetzelfde geslacht en getal hebben.

Overzicht: welke lidwoorden heb je?

Mannelijk Vrouwelijk
Enkelvoud
(bepaald)
el libro (het boek) la casa (het huis)
Meervoud
(bepaald)
los libros (de boeken) las casas (de huizen)
Enkelvoud
(onbepaald)
un libro (een boek) una casa (een huis)
Meervoud
(onbepaald)
unos libros (een paar boeken / sommige boeken) unas casas (een paar huizen / sommige huizen)

Wanneer gebruik je bepaald of onbepaald?

Denk bij elk zelfstandig naamwoord even:

  1. Ken ik dit concreet? (deze, die, al genoemd?) → bepaald lidwoord (el, la, los, las)
  2. Is het “iets/iemand” in het algemeen of voor het eerst?onbepaald lidwoord (un, una, unos, unas)
  • Bepaald:
    • Vivo en la capital de Francia. (de hoofdstad die we allebei kennen → Parijs)
    • Tengo el libro en la mesa. (dat specifieke boek)
  • Onbepaald:
    • Vivo en una ciudad pequeña. (een of andere kleine stad)
    • Tengo un libro en la mesa. (een boek, niet belangrijk welk)

Stap 1: bepaal geslacht (mannelijk / vrouwelijk)

Je ziet het geslacht meestal aan de eindletter van het zelfstandig naamwoord.

  • -o → meestal mannelijk: el libro, el chico, el teléfono
  • -a → meestal vrouwelijk: la casa, la chica, la oficina

In deze les kom je vooral woorden tegen die deze regel volgen.

Andere uitgangen (bijv. -e, medeklinker) leer je later stap voor stap.

Stap 2: bepaal getal (enkelvoud / meervoud)

Daarna kijk je: één of meer?

  • Enkelvoud → el / la / un / una
  • Meervoud → los / las / unos / unas

Algemene vorming van het meervoud van het zelfstandig naamwoord:

  • woord eindigt op klinker (a, e, i, o, u) → + -s
    libro → libros, casa → casas
  • woord eindigt op medeklinker → meestal + -es
    hotel → hoteles (komt later in andere lessen vaker terug)

Hoe kies je praktisch het juiste lidwoord?

Gebruik dit mini-schema in je hoofd:

  1. Is het één ding of meer?
    • Één → enkelvoud
    • Meer → meervoud
  2. Is het mannelijk of vrouwelijk?
    • Eindigt op -o → mannelijk
    • Eindigt op -a → vrouwelijk
  3. Is het bekend of onbekend?
    • Specifiek / al bekend → bepaald lidwoord
    • Algemeen / voor het eerst → onbepaald lidwoord

Daarmee kies je:

Mannelijk Vrouwelijk
Enkelvoud
bekend
el la
Enkelvoud
onbekend
un una
Meervoud
bekend
los las
Meervoud
onbekend
unos unas

Typische A1-vragen en valkuilen

  • Gebruik ik een lidwoord bij landen?
    Vaak niet: Vivo en España. Soy de Italia. Vivo en Portugal.
    Maar: los Países Bajos, el Reino Unido hebben wél een lidwoord in het Spaans.
  • En bij steden?
    Geen lidwoord: Vivo en Madrid. Trabajo en París. Estoy en Berlín.
  • Onbepaald meervoud (unos/unas) = “een paar / sommige”
    Trabajo con unos compañeros de Francia.
    En mi curso hay unas estudiantes de Suiza.
  • Artikelen veranderen niet door het werkwoord
    Alleen door geslacht en getal van het zelfstandig naamwoord.
    la ciudad, las ciudades, una ciudad, unas ciudades

Mini-check: begrijp je het?

Beantwoord voor jezelf deze vragen. Kun je het antwoord geven? Dan zit je goed.

  1. Kun je uitleggen wanneer je el / la gebruikt en wanneer un / una?
  2. Kun je bij capital, ciudad, estudiante, compañero, empresa het juiste lidwoord zeggen (enkelvoud én meervoud)?
  3. Kun je in je hoofd het schema “geslacht → getal → bekend / onbekend” doorlopen?

Als iets nog niet duidelijk is, kies een paar zelfstandige naamwoorden uit de les en:

  • maak er vier vormen mee: el / la / los / las (als dat logisch is)
  • maak daarna de onbepaalde vormen: un / una / unos / unas

Herhaal dit met woorden over landen, steden, beroep en nationaliteit. Zo bereid je je goed voor op je conversatieles.

  1. Het lidwoord komt overeen met het zelfstandig naamwoord (geslacht en getal).
  2. Het lidwoord staat vóór het zelfstandig naamwoord.
  3. Er zijn 4 bepaalde lidwoorden.
  4. Er zijn 4 onbepaalde lidwoorden.
Artículos definidos (bepaalde lidwoorden)Masculino (mannelijk)Femenino (vrouwelijk)
Singular (enkelvoud)El
(El libro)
La
(La casa)
Plural (meervoud)Los
(Los libros)
Las
(Las casas)
Artículos indefinidos (onbepaalde lidwoorden)Masculino (mannelijk)Femenino (vrouwelijk)
Singular (enkelvoud)Un
(Un libro)
Una
(Una casa)
Plural (meervoud)Unos
(Unos libros)
Unas
(Unas casas)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Soy de Italia, pero ahora vivo en España, en ___ capital, en la ciudad de Madrid.

Ik kom uit Italië, maar nu woon ik in Spanje, in ___ hoofdstad, in de stad Madrid.)

2. Berlín es ___ capital de Alemania y es una ciudad muy interesante para vivir.

Berlijn is ___ hoofdstad van Duitsland en het is een zeer interessante stad om in te wonen.)

3. Trabajo con ___ compañeros de Francia y ___ compañeras de Portugal en una empresa internacional.

Ik werk met ___ collega’s uit Frankrijk en ___ collega’s uit Portugal in een internationaal bedrijf.)

4. En mi curso de español hay ___ estudiantes de Suiza y ___ estudiantes de los Países Bajos.

In mijn Spaanse cursus zijn er ___ studenten uit Zwitserland en ___ studentes uit Nederland.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen door het onbepaalde lidwoord te vervangen door het bepaalde lidwoord of andersom, afhankelijk van de context (voorbeeld: Tengo un libro → Tengo el libro).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (el) Tengo un libro en la mesa.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Tengo el libro en la mesa.
    (Tengo el libro en la mesa.)
  2. Hint Hint (la) Una profesora es muy simpática.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    La profesora es muy simpática.
    (La profesora es muy simpática.)
  3. Hint Hint (los) En mi clase hay unos estudiantes nuevos.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    En mi clase hay los estudiantes nuevos.
    (En mi clase hay los estudiantes nuevos.)
  4. Hint Hint (unos) En la oficina tenemos ordenadores modernos.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    En la oficina tenemos unos ordenadores modernos.
    (En la oficina tenemos unos ordenadores modernos.)
  5. Hint Hint (la / el) En mi barrio hay una farmacia y un supermercado.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    En mi barrio hay la farmacia y el supermercado.
    (En mi barrio hay la farmacia y el supermercado.)
  6. Hint Hint (las) Unas salas de reuniones están libres ahora.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Las salas de reuniones están libres ahora.
    (Las salas de reuniones están libres ahora.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Praat met een klasgenoot: zeg jouw land en vraag naar dat van hem/haar.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
El primer día del curso en Madrid conoces a varios compañeros nuevos.
(De eerste dag van de cursus in Madrid ontmoet je verschillende nieuwe medecursisten.)

Bespreek
  • ¿De dónde eres? ¿Qué ciudad es tu ciudad natal? (Waar kom je vandaan? Welke stad is jouw geboortestad?)
  • ¿Dónde naciste y dónde vives ahora? ¿Es la misma ciudad? (Waar ben je geboren en waar woon je nu? Is het dezelfde stad?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Soy de España / Soy de Suecia. (Ik kom uit Spanje / Ik kom uit Zweden.)
  • Vengo de una ciudad pequeña / Vengo de la capital. (Ik kom uit een kleine stad / Ik kom uit de hoofdstad.)
  • Nací en Italia y ahora vivo en Portugal. (Ik ben in Italië geboren en woon nu in Portugal.)

Gebruik in gesprek
  • el/la/los/las + país/ciudad/capital (el/la/los/las + país/ciudad/capital)
  • un/una + país/ciudad/nacionalidad (un/una + país/ciudad/nacionalidad)
  • unos/unas + países/ciudades (unos/unas + países/ciudades)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage