Los participios se combinan con el verbo "estar" para describir estados o condiciones temporales.

(Voltooide deelwoorden worden gecombineerd met het werkwoord estar om tijdelijke toestanden of omstandigheden te beschrijven.)

Wat leer je in dit onderdeel?

  • Je leert estar + participio (voltooid deelwoord) gebruiken.
  • Je gebruikt dit om een staat / toestand nu te beschrijven: open, dicht, klaar, verkocht…
  • Je leert waar je op moet letten: ser vs. estar en mannelijk/vrouwelijk, enkelvoud/meervoud.

1. Wanneer gebruik je estar + participio?

Met estar + participio zeg je hoe iets of iemand nu is als resultaat van een actie.

  • La oficina de correos está cerrada.
    = Het postkantoor is (nu) dicht.
  • Las casas están vendidas.
    = De huizen zijn (al) verkocht.
  • La comida está preparada.
    = Het eten is (al) bereid/klaar.

Je beschrijft dus een toestand: hoe iets er nu bij staat.

2. Verschil met een gewone tegenwoordige tijd

Vergelijk:

Actie Toestand (estar + participio) Betekenis in het Nederlands
La tienda cierra a las ocho. La tienda está cerrada. De winkel sluit om acht uur. / De winkel is gesloten.
El técnico termina el ordenador. El ordenador está terminado. De technicus maakt de computer af. / De computer is af.
Los camareros preparan las mesas. Las mesas están preparadas. De obers dekken de tafels. / De tafels zijn gedekt.
  • De linkerzin gaat over wat er gebeurt (actie).
  • De rechterzin gaat over hoe het resultaat is (staat).

3. Hoe maak je de vorm?

De basisformule is:

ESTAR (vervoegd) + participio

  • está cerrada
  • están vendidos
  • está preparado

4. Vervoeging van estar (tegenwoordige tijd)

Persoon Vorm van estar Kort voorbeeld
yo estoy Estoy cansado. (Ik ben moe.)
estás Estás ocupado. (Je bent bezig.)
él / ella / usted está La farmacia está abierta.
nosotros/-as estamos Estamos preparados.
vosotros/-as estáis ¿Estáis listos?
ellos / ellas / ustedes están Las tiendas están cerradas.

In dit hoofdstuk zie je vooral está (enkelvoud) en están (meervoud) bij plaatsen en dingen.

5. Het participio: wat verandert er?

Het participio (cerrado, abierto, preparado, vendido…) werkt hier als een bijvoeglijk naamwoord.

  • Het moet mee veranderen met het zelfstandig naamwoord in:
    • geslacht: mannelijk / vrouwelijk
    • getal: enkelvoud / meervoud
Woord Enkelvoud Meervoud
Mannelijk cerrado cerrados
Vrouwelijk cerrada cerradas

Voorbeelden:

  • El banco está cerrado.
    banco = mannelijk enkelvoud → cerrado
  • La farmacia está cerrada.
    farmacia = vrouwelijk enkelvoud → cerrada
  • Los bancos están cerrados.
    bancos = mannelijk meervoud → cerrados
  • Las farmacias están cerradas.
    farmacias = vrouwelijk meervoud → cerradas

6. Veelgebruikte participios in dit thema

Infinitief Participio (m. enk.) Betekenis (staat)
cerrar cerrado gesloten / dicht
abrir abierto open
preparar preparado klaargemaakt, voorbereid
vender vendido verkocht
terminar terminado af, beëindigd
firmar firmado ondertekend

Let op: abierto is onregelmatig (niet abrido).

7. Ser of estar bij geopend/gesloten etc.?

In dit niveau gebruik je voor toestanden als “open/gesloten/voorbereid/verkocht” praktisch altijd estar.

  • La biblioteca está abierta.
  • La biblioteca es abierta. ✗ (klinkt vreemd / zelden gebruikt)

Handige vuistregel voor nu:

  • Je zegt dat iets nu in een bepaalde staat is → gebruik estar + participio.
  • Denk aan Nederlands: “is open, is gesloten, is verkocht, is klaar”.

8. Typische combinaties met plaatsen en diensten

Met plaatsen en diensten gebruik je heel vaak dit patroon:

  • El banco está cerrado.
  • La farmacia está abierta.
  • Las oficinas de correos están cerradas.
  • Las urgencias están abiertas todo el día.

Onthoud deze vaste uitdrukkingen:

  • estar abierto/-a/-os/-as = open zijn
  • estar cerrado/-a/-os/-as = gesloten zijn

9. Korte zelfcheck: let hier extra op

  1. Heb ik estar goed vervoegd?
    • enkelvoud: está (la farmacia está…)
    • meervoud: están (las farmacias están…)
  2. Komen geslacht en getal overeen?
    • mannelijk enkelvoud: -o → el banco está cerrado.
    • vrouwelijk enkelvoud: -a → la tienda está cerrada.
    • mannelijk meervoud: -os → los bancos están cerrados.
    • vrouwelijk meervoud: -as → las tiendas están cerradas.
  3. Beschrijf ik een toestand (en niet de actie)?
    • Actie: La tienda cierra a las ocho.
    • Staat: La tienda está cerrada.

10. Kun je dit al? Snelle controle

  • Kun je zelf zinnen maken als:
    • La panadería está cerrada hoy.
    • Las mesas están preparadas para la reunión.
    • Los documentos están firmados.
  • Kun je horen of je enkelvoud of meervoud nodig hebt in het Spaans?
  • Kun je snel kiezen tussen cerrado / cerrada / cerrados / cerradas?

Als je dit kunt, ben je klaar om deze vorm actief te gebruiken in gesprekken.

  1. Ze kunnen emoties, lichamelijke toestanden of tijdelijke situaties beschrijven.
  2. Ze moeten in geslacht en getal overeenkomen met het zelfstandig naamwoord dat ze beschrijven.
Formula (Formule)Verbo (Werkwoord)Ejemplos (Voorbeelden)
Estar + verboCerrar (Sluiten)La oficina de correos está cerrada. (Het postkantoor is gesloten.)
Estar + verboVender (Verkopen)Las casas están vendidas. (De huizen zijn verkocht.)
Estar + verboAbrir (Openen)La comida está preparada. (Het eten is klaar.)

 

 

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. El gimnasio ______ los domingos por la tarde.

De sportschool ______ zondagmiddag.)

2. La oficina de correos está abierta, pero el banco ______ ahora.

Het postkantoor is open, maar de bank ______ nu.)

3. La farmacia está abierta y las escuelas ______ hoy.

De apotheek is open en de scholen ______ vandaag.)

4. La biblioteca está abierta, pero las aulas ______ por la noche.

De bibliotheek is open, maar de lokalen ______ ’s avonds.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met estar + voltooid deelwoord om de toestand te beschrijven (voorbeeld: El banco cierra a las dos. → El banco está cerrado).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. El supermercado cierra a las diez de la noche.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    El supermercado está cerrado por la noche.
    (El supermercado está cerrado por la noche.)
  2. La agencia de viajes abre a las nueve de la mañana.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    La agencia de viajes está abierta a las nueve.
    (La agencia de viajes está abierta a las nueve.)
  3. Hoy todas las tiendas cierran por la tarde.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hoy todas las tiendas están cerradas por la tarde.
    (Hoy todas las tiendas están cerradas por la tarde.)
  4. El técnico termina el ordenador.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    El ordenador está terminado.
    (El ordenador está terminado.)
  5. Los camareros preparan las mesas para la cena.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Las mesas están preparadas para la cena.
    (Las mesas están preparadas para la cena.)
  6. Los pisos del centro se venden muy rápido.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Los pisos del centro están vendidos.
    (Los pisos del centro están vendidos.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Praat en zeg welke plekken jullie vandaag bezoeken en welke beschikbaar zijn.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Tú y un compañero necesitáis encontrar servicios abiertos en un barrio nuevo.
(Jij en een klasgenoot moeten open diensten vinden in een nieuwe buurt.)

Bespreek
  • ¿Qué lugares están abiertos y cuáles están cerrados ahora? (Welke plekken zijn nu open en welke gesloten?)
  • ¿Qué servicio es más importante para ti hoy: banco, farmacia, hospital o biblioteca? ¿Por qué? (Welke dienst is vandaag het belangrijkst voor jou: bank, apotheek, ziekenhuis of bibliotheek? Waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • La farmacia está cerrada. (De apotheek is gesloten.)
  • La oficina de correos está abierta. (Het postkantoor is open.)
  • La comida está preparada en la panadería. (Het eten is klaar bij de bakker.)

Gebruik in gesprek
  • estar + participio para lugares y servicios (estar + participio voor plaatsen en diensten)
  • estar + participio para objetos preparados (estar + participio voor bereide voorwerpen)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage