Adjetivos que indican posesión en español, concordando con género y número del sustantivo.

(Bijvoeglijke naamwoorden die bezit aangeven in het Spaans en in geslacht en getal met het zelfstandig naamwoord overeenkomen.)

1. Wat doen Spaanse bezittelijke bijvoeglijke naamwoorden?

  • Ze geven aan van wie iets is: mi casa = mijn huis.
  • In het Spaans passen ze zich aan aan wat er erna komt, niet aan de persoon:
Persoon Enkelvoud Meervoud
yo (ik) mi libro mis libros
tú (jij) tu hermano tus hermanos

Belangrijk: je kiest de vorm op basis van het zelfstandig naamwoord (ding/persoon), niet op basis van de eigenaar.

2. Plaats in de zin: altijd vóór het zelfstandig naamwoord

  • In deze les gebruik je alleen de vormen vóór het zelfstandig naamwoord.
  • Structuur: mi / tu / su / nuestro… + zelfstandig naamwoord

Voorbeelden:

  • mi empresa (mijn bedrijf)
  • tus reuniones (jouw vergaderingen)
  • su jefe (zijn/haar/uw/hun baas)
  • nuestra oficina (ons kantoor)

casa mimi casa

3. Enkelvoud of meervoud? (mi > mis, tu > tus, su > sus)

Stap 1: kijk naar het woord erna.

  • Als het één ding/persoon is → enkelvoud
  • Als het meerdere zijn → meervoud (s erbij)
Enkelvoud Meervoud Betekenis
mi colega mis colegas mijn collega / mijn collega’s
tu hijo tus hijos jouw zoon / jouw kinderen
su cliente sus clientes zijn/haar/uw klant / klanten

Let op: alleen een s achter het bezittelijk woord, niet nog een keer achter het zelfstandig naamwoord in het Spaans.

mis cliente (fout, één klant) → mi cliente

4. Géén man / vrouw verschil bij mi, tu, su

Goed nieuws: bij mi, tu, su maakt het geslacht (mannelijk/vrouwelijk) niet uit.

  • mi padre (mijn vader)
  • mi madre (mijn moeder)
  • mis padres (mijn ouders)

Hetzelfde voor tu / tus en su / sus.

5. Nuestro / Vuestro: let op -o / -a en meervoud

Hier verandert het woord wél met het zelfstandig naamwoord mee.

Enkelvoud m. Enkelvoud v. Meervoud m. Meervoud v.
nosotros nuestro piso nuestra casa nuestros pisos nuestras casas
vosotros vuestro jefe vuestra jefa vuestros jefes vuestras jefas
  • -o bij een mannelijk woord: nuestro hijo
  • -a bij een vrouwelijk woord: nuestra hija
  • -os / -as bij meervoud: nuestros hijos, nuestras hijas

6. Su en sus: één vorm, veel betekenissen

Su / sus is voor:

  • él (hij)
  • ella (zij)
  • usted (u – enkelvoud)
  • ellos/ellas (zij – meervoud)
  • ustedes (u – meervoud, Latijns-Amerika en formeel Spaans)

Voorbeelden:

  • su casa = zijn huis / haar huis / uw huis / hun huis
  • sus hijos = zijn kinderen / haar kinderen / hun kinderen

De betekenis wordt duidelijk uit de context of uit het onderwerp in de zin:

  • María vive en Madrid. Su familia vive en Colombia.
    su = haar
  • Mis padres viven en Valencia. Sus amigos viven en México.
    sus = hun vrienden (van mijn ouders)

7. Tú (jij) of tu (jouw)?

Dit is een klassieke valkuil.

  • met accent = persoonlijk voornaamwoord (jij)
  • tu zonder accent = bezittelijk (jouw)

Vergelijk:

  • eres mi jefe. → jij bent mijn baas.
  • Tu jefe es simpático. → jouw baas is aardig.

Zelfcheck: kun je “jij” zeggen? Dan schrijf je met accent. Kun je “jouw” zeggen? Dan schrijf je tu zonder accent.

8. Stap-voor-stap: zo kies je de juiste vorm

  1. Wie is de eigenaar?
    yo, tú, él/ella/usted, nosotros, vosotros, ellos/ustedes
  2. Is het ding/persoon enkelvoud of meervoud?
    één → enkelvoud, meer → meervoud.
  3. Is het zelfstandig naamwoord mannelijk of vrouwelijk?
    Dit is alleen relevant bij nuestro/vuestro.
  4. Vul in:
    • yo → mi / mis
    • tú → tu / tus
    • él/ella/usted → su / sus
    • nosotros → nuestro / nuestra / nuestros / nuestras
    • vosotros → vuestro / vuestra / vuestros / vuestras
    • ellos/ustedes → su / sus

Voorbeeld: “onze collega’s” → wij = nosotros, meervoud & gemengd = nuestros colegas.

9. Zelfcheck: begrijp ik het?

  • Kun je uitleggen waarom het mis hermanos is en niet mi hermanos?
  • Kun je zelf drie zinnen maken met mi / mis over jouw familie?
  • Kun je één zin maken met nuestra en één met nuestros over werk of studie?
  • Kun je twee verschillende betekenissen geven voor su jefe in Nederlandse zinnen (bijv. zijn baas / haar baas / hun baas)?

Als je dit kunt, heb je de basis van de Spaanse bezittelijke bijvoeglijke naamwoorden op A1-niveau onder controle.

  1. De bezittelijke bijvoeglijke naamwoorden staan vóór het zelfstandig naamwoord, zoals in "mi casa" .
  2. De bezittelijke bijvoeglijke naamwoorden voor de derde persoon enkelvoud en meervoud zijn hetzelfde.
Persona (Persoon)Singular  (Enkelvoud)Plural  (Meervoud)
YoMiMis
TuTus
Él/Ella/UstedSuSus
Nosotros/NosotrasNuestro / NuestraNuestros / Nuestras
Vosotros/VosotrasVuestro / VuestraVuestros / Vuestras
Ellos/Ellas/UstedesSuSus

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. En la foto están ___ mujer, ___ dos hijos y yo.

Op de foto staan ___ vrouw, ___ twee kinderen en ik.)

2. ___ hermano vive en Valencia, pero ___ padres viven en Madrid.

___ broer woont in Valencia, maar ___ ouders wonen in Madrid.)

3. ___ familia es pequeña: ___ hija tiene cinco años y ___ hijo tiene tres.

___ familie is klein: ___ dochter is vijf jaar en ___ zoon is drie.)

4. ___ abuelos viven en Sevilla y ___ hermanos viven en Málaga.

___ grootouders wonen in Sevilla en ___ broers en zussen wonen in Málaga.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: We hebben het onderwerp van de zin veranderd; herschrijf elke zin met het juiste bezittelijk voornaamwoord (mijn, jouw, zijn/haar, ons/onze, jullie, hun).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Yo tengo un hermano. → ______ hermano vive en Barcelona.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mi hermano vive en Barcelona.
    (Mi hermano vive en Barcelona.)
  2. Tú tienes una hija. → ______ hija estudia en Madrid.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Tu hija estudia en Madrid.
    (Tu hija estudia en Madrid.)
  3. Nosotros tenemos dos hijos. → ______ hijos hablan español e inglés.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Nuestros hijos hablan español e inglés.
    (Nuestros hijos hablan español e inglés.)
  4. Ellos tienen una casa en Valencia. → ______ casa es pequeña pero cómoda.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Su casa es pequeña pero cómoda.
    (Su casa es pequeña pero cómoda.)
  5. Vosotros tenéis muchos primos. → ______ primos viven en diferentes países.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Vuestros primos viven en diferentes países.
    (Vuestros primos viven en diferentes países.)
  6. Ella tiene una familia grande. → ______ familia siempre hace una fiesta en agosto.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Su familia siempre hace una fiesta en agosto.
    (Su familia siempre hace una fiesta en agosto.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Stel je gezin voor en vraag naar het gezin van je klasgenoot.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
En un curso de español conoces a un compañero nuevo y habláis de familia.
(In een cursus Spaans maak je kennis met een nieuwe klasgenoot en praten jullie over familie.)

Bespreek
  • ¿Cómo es tu familia? Describe a dos o tres personas importantes. (Hoe is jouw familie? Beschrijf twee of drie belangrijke personen.)
  • ¿Con quién vives? Habla de vuestra relación y la vida diaria juntos. (Met wie woon je? Praat over jullie relatie en het dagelijks leven samen.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • mi madre / mi padre / mis hermanos (mijn moeder / mijn vader / mijn broers en zussen)
  • tu marido / tu mujer / tus hijos (jouw man / jouw vrouw / jouw kinderen)
  • su amigo / su primo / sus abuelos (zijn/haar vriend / zijn/haar neef / zijn/haar grootouders)

Gebruik in gesprek
  • mi/mis + miembro de la familia (mi/mis + familielid)
  • tu/tus + miembro de la familia (tu/tus + familielid)
  • su/sus + miembro de la familia (su/sus + familielid)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage