A1.7 - Beroepen en studies
Profesiones y estudios
1. Taalonderdompeling
A1.7.1 Activiteit
Wat doe je voor werk?
3. Grammatica
A1.7.2 Grammatica
Vraagwoorden: "Dónde?", "Cuál?", "Qué?", "Por qué?"
Belangrijk werkwoord
Estudiar (studeren)
Belangrijk werkwoord
Trabajar (werken)
Belangrijk werkwoord
Dedicarse a (zich bezighouden met)
4. Oefeningen
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. ¿Dónde ______ ahora, en un hospital o en una oficina?
(Waar werk je nu, in een ziekenhuis of op een kantoor?)2. ¿Qué ______, medicina o ingeniería?
(Wat studeer je, geneeskunde of ingenieurswetenschappen?)3. ¿Por qué ______ a ser cocinero en ese restaurante?
(Waarom werk je als kok in dat restaurant?)4. ¿Cuál ______ tu trabajo, eres médico o periodista?
(Wat is je beroep, ben je arts of journalist?)Oefening 3: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Conocer a un compañero en un curso
Ana, participante del curso: Show Hola, soy Ana, soy ingeniera y trabajo en una empresa de Madrid.
(Hallo, ik ben Ana, ik ben ingenieur en ik werk bij een bedrijf in Madrid.)
Luis, participante del curso: Show Mucho gusto, Ana, yo soy Luis, soy médico y trabajo en un hospital pequeño.
(Aangenaam, Ana. Ik ben Luis, ik ben arts en ik werk in een klein ziekenhuis.)
Ana, participante del curso: Show ¿Siempre trabajas como médico o también estudias algo ahora?
(Werk je altijd als arts of studeer je nu ook iets?)
Luis, participante del curso: Show Ahora estudio español por la tarde y por la mañana trabajo en el hospital.
(Nu studeer ik Spaans 's avonds en werk ik 's ochtends in het ziekenhuis.)
Open vragen:
1. ¿A qué te dedicas tú en tu país?
Wat doe jij voor werk in jouw land?
2. ¿Qué te gusta más: trabajar o estudiar?
Wat vind je leuker: werken of studeren?
3. dialogue:[{"speaker":"Ana, participante del curso","gender":"female","sentence":"Hola, soy Ana, soy ingeniera y trabajo en una empresa de Madrid."},{"speaker":"Luis, participante del curso","gender":"male","sentence":"Mucho gusto, Ana, yo soy Luis, soy médico y trabajo en un hospital pequeño."},{"speaker":"Ana, participante del curso","gender":"female","sentence":"¿Siempre trabajas como médico o también estudias algo ahora?"},{"speaker":"Luis, participante del curso","gender":"male","sentence":"Ahora estudio español por la tarde y por la mañana trabajo en el hospital."}]]},{
dialogue:[{"speaker":"Ana, participante del curso","gender":"female","sentence":"Hola, soy Ana, soy ingeniera y trabajo en una empresa de Madrid."},{"speaker":"Luis, participante del curso","gender":"male","sentence":"Mucho gusto, Ana, yo soy Luis, soy médico y trabajo en un hospital pequeño."},{"speaker":"Ana, participante del curso","gender":"female","sentence":"¿Siempre trabajas como médico o también estudias algo ahora?"},{"speaker":"Luis, participante del curso","gender":"male","sentence":"Ahora estudio español por la tarde y por la mañana trabajo en el hospital."}]
Hablar con el peluquero sobre el trabajo
Marta, peluquera: Show Hola, buenas, siéntate por favor, soy Marta, tu peluquera hoy.
(Hallo, goedendag. Neem alstublieft plaats, ik ben Marta, jouw kapster vandaag.)
Carlos, cliente: Show Gracias, Marta, yo soy Carlos, soy empleado en una oficina y estudio inglés por la noche.
(Dank je, Marta. Ik ben Carlos, ik werk op kantoor en ik studeer 's avonds Engels.)
Marta, peluquera: Show Qué bien, yo trabajo aquí todo el día y ahora estudio para ser directora de mi propio salón.
(Wat goed. Ik werk hier de hele dag en ik studeer nu om manager van mijn eigen salon te worden.)
Carlos, cliente: Show Es un buen plan, trabajar como peluquera y estudiar para tu negocio.
(Dat is een goed plan: werken als kapster en tegelijk studeren voor je eigen zaak.)
Open vragen:
1. ¿Vas mucho a la peluquería en tu país?
Ga je vaak naar de kapper in jouw land?
2. ¿Qué trabajo te gusta más, el trabajo de Carlos o el de Marta?
Welk werk vind je leuker: dat van Carlos of dat van Marta?
Oefening 4: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. En tu primer día en una empresa en Madrid, un compañero nuevo te pregunta: “¿A qué te dedicas?”. Responde y di tu profesión. (Usa: El trabajo, dedicarse a, yo soy...)
(Op je eerste werkdag bij een bedrijf in Madrid vraagt een nieuwe collega: “Wat doe jij voor werk?”. Antwoord en zeg je beroep. (Gebruik: Het werk, zich bezighouden met, ik ben...))Yo soy
(Ik ben ...)Voorbeeld:
Yo soy ingeniero. Mi trabajo es en una empresa de informática.
(Ik ben ingenieur. Ik werk bij een IT-bedrijf.)2. Estás en una fiesta con amigos en Barcelona. Conoces a una persona nueva y quieres saber su profesión. Haz una pregunta sencilla. (Usa: ¿A qué te dedicas?, El trabajo, tú)
(Je bent op een feest met vrienden in Barcelona. Je ontmoet iemand nieuw en wilt naar zijn of haar beroep vragen. Stel een eenvoudige vraag. (Gebruik: Waar houd jij je mee bezig?, Het werk, jij))¿A qué
(Waar ...)Voorbeeld:
¿A qué te dedicas? ¿Cuál es tu trabajo?
(Waar houd jij je mee bezig? Wat is jouw werk?)3. Estás en la universidad y hablas con otro estudiante en la cafetería. Cuenta qué estudias. (Usa: El estudiante, estudiar, la universidad)
(Je bent op de universiteit en praat met een andere student in de cafetaria. Vertel wat je studeert. (Gebruik: De student, studeren, de universiteit))Yo estudio
(Ik studeer ...)Voorbeeld:
Yo estudio medicina en la universidad. Soy estudiante de primer año.
(Ik studeer geneeskunde aan de universiteit. Ik ben eerstejaars student.)4. Un vecino en tu edificio te pregunta si trabajas o estudias. Explica si trabajas ahora. (Usa: Trabajar, El empleado, en una empresa)
(Een buur in je gebouw vraagt of je werkt of studeert. Leg uit of je nu werkt. (Gebruik: Werken, De werknemer, bij een bedrijf))Ahora trabajo
(Nu werk ik ...)Voorbeeld:
Ahora trabajo en una empresa como empleado. Trabajo de lunes a viernes.
(Nu werk ik bij een bedrijf als werknemer. Ik werk van maandag tot vrijdag.)Oefening 5: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 regels over je huidige beroep of je studie: waar je werkt of studeert en wat je dagelijks doet.
Nuttige uitdrukkingen:
Me dedico a… / Trabajo en… / Estudio… en… / En mi trabajo / En mis estudios, yo…
Ejercicio 6: Gespreksoefening
Instrucción:
- Di las profesiones de cada persona. (Noem de beroepen van elke persoon.)
- ¿Cuál es tu profesión? (Wat is uw beroep?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
El joven es estudiante. De jongeman is een student. |
|
La mujer es mecánica. De vrouw is monteur. |
|
Michael es policía. Michael is een politieagent. |
|
Giulia es periodista. Giulia is een journalist. |
|
¿A qué te dedicas? Wat doe je voor werk? |
|
Soy profesor. Ik ben een leraar. |
| ... |