In deze les leer je Spaanse woorden en uitdrukkingen over beroepen en studies zoals 'trabajar' (werken), 'estudiar' (studeren) en vraagwoorden als '¿A qué te dedicas?' en '¿Dónde estudias?'. Perfect voor gesprekken over werk en opleiding.
Luister- en leesmateriaal
Oefen woordenschat in context met echte materialen.
Woordenschat (22) Delen Gekopieerd!
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Kom de vertalingen overeen
Oefening 3: Clusteren van woorden
Instructie: Classificeer de woorden volgens of ze verwijzen naar beroepen gerelateerd aan de gezondheidszorg of naar dienstverlenende beroepen.
Profesiones relacionadas con la salud
Profesiones de servicio
Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin
Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.
1
El periodista
De journalist
2
Practicar
Oefenen
3
Trabajar
Werken
4
El gerente
De manager
5
El abogado
De advocaat
Ejercicio 5: Gespreksoefening
Instrucción:
- Noem de beroepen van elke persoon. (Noem de beroepen van elke persoon.)
- Wat is uw beroep? (Wat is uw beroep?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Oefening 6: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 7: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Yo _______ ingeniería en la Universidad de Madrid.
(Ik _______ techniek aan de Universiteit van Madrid.)2. Mi amigo _______ como médico en un hospital público.
(Mijn vriend _______ als arts in een openbaar ziekenhuis.)3. Nosotros nos _______ a la enseñanza en una escuela privada.
(Wij _______ ons aan het onderwijs op een particuliere school.)4. ¿Dónde _______ tú, en una empresa o en un restaurante?
(Waar _______ jij, bij een bedrijf of in een restaurant?)Oefening 8: Beroepen en studies: een gesprek in het café
Instructie:
Werkwoordschema's
Trabajar - Werken
Presente
- yo trabajo
- tú trabajas
- él/ella/Ud. trabaja
- nosotros/as trabajamos
- vosotros/as trabajáis
- ellos/ellas/Uds. trabajan
Estudiar - Studeren
Presente
- yo estudio
- tú estudias
- él/ella/Ud. estudia
- nosotros/as estudiamos
- vosotros/as estudiáis
- ellos/ellas/Uds. estudian
Dedicar - Zich wijden
Presente
- yo me dedico
- tú te dedicas
- él/ella/Ud. se dedica
- nosotros/as nos dedicamos
- vosotros/as os dedicáis
- ellos/ellas/Uds. se dedican
Responder - Beantwoorden
Presente
- yo respondo
- tú respondes
- él/ella/Ud. responde
- nosotros/as respondemos
- vosotros/as respondéis
- ellos/ellas/Uds. responden
Oefening 9: Palabras interrogativas: "Dónde?", "Cuál?", "Qué?", "Por qué?"
Instructie: Vul het juiste woord in.
Grammatica: Vraagwoorden: "Dónde?", "Cuál?", "Qué?", "Por qué?"
Toon vertaling Toon antwoordenCuáles, Dónde, Qué, Por qué, Cuál
Grammatica Delen Gekopieerd!
We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!
A1.7.2 Gramática
Palabras interrogativas: "Dónde?", "Cuál?", "Qué?", "Por qué?"
Vraagwoorden: "Dónde?", "Cuál?", "Qué?", "Por qué?"
Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les Delen Gekopieerd!
Estudiar studeren Delen Gekopieerd!
Presente
Spaans | Nederlands |
---|---|
(yo) estudio | ik studeer |
(tú) estudias | jij studeert |
(él/ella) estudia | hij/zij studeert |
(nosotros/nosotras) estudiamos | wij studeren |
(vosotros/vosotras) estudiáis | jullie studeren |
(ellos/ellas) estudian | zij studeren |
Trabajar werken Delen Gekopieerd!
Presente
Spaans | Nederlands |
---|---|
(yo) trabajo | ik werk |
(tú) trabajas | jij werkt |
(él/ella) trabaja | hij/zij werkt |
(nosotros/nosotras) trabajamos | wij werken |
(vosotros/vosotras) trabajáis | jullie werken |
(ellos/ellas) trabajan | zij werken |
Dedicarse a zich bezighouden met Delen Gekopieerd!
Presente
Spaans | Nederlands |
---|---|
(yo) me dedico a | ik houd me bezig met |
(tú) te dedicas a | jij houdt je bezig met |
(él/ella) se dedica a | hij/zij houdt zich bezig met |
(nosotros/nosotras) nos dedicamos a | wij houden ons bezig met |
(vosotros/vosotras) os dedicáis a | jullie houden zich bezig met |
(ellos/ellas) se dedican a | zij houden zich bezig met |
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Spaans oefenen? Dat is mogelijk! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Professions en studies: Een introductie tot spreken over werk en opleiding
In deze les leer je hoe je kunt praten over beroepen en opleidingen in het Spaans. Het is een basisles op niveau A1, waarin je onder andere leert hoe je vragen stelt over iemands beroep en opleidingsachtergrond. Ook behandelen we veelgebruikte werkwoorden en nuttige vraagwoorden die in gesprekken over werk en studie voorkomen.
Belangrijke vraagwoorden in deze les
- ¿A qué te dedicas? – Waar houd jij je mee bezig? (Wat is je beroep?)
- ¿Dónde? – Waar?
- ¿Cuál? – Welke?
- ¿Qué? – Wat?
- ¿Por qué? – Waarom?
Vocabulaire en uitdrukkingen rondom beroepen
Je leert woorden zoals médico (arts), enfermero (verpleegkundige), camarero (ober) en werkwoorden zoals trabajar (werken) en estudiar (studeren). Bijvoorbeeld:
- Soy médico y trabajo en un hospital. – Ik ben arts en ik werk in een ziekenhuis.
- Trabajo como camarero en un restaurante. – Ik werk als ober in een restaurant.
- ¿Dónde estudias para ser ingeniero? – Waar studeer je om ingenieur te worden?
Werkwoordvervoegingen in de tegenwoordige tijd
We oefenen met werkwoorden die vaak voorkomen in dit thema. Hieronder zie je de vervoegingen van enkele belangrijke werkwoorden in de presente:
- Trabajar: yo trabajo, tú trabajas, él/ella trabaja, nosotros trabajamos, vosotros trabajáis, ellos trabajan
- Estudiar: yo estudio, tú estudias, él/ella estudia, nosotros estudiamos, vosotros estudiáis, ellos estudian
- Dedicar(se): yo me dedico, tú te dedicas, él/ella se dedica, nosotros nos dedicamos, vosotros os dedicáis, ellos se dedican
- Responder: yo respondo, tú respondes, él/ella responde, nosotros respondemos, vosotros respondéis, ellos responden
Praktische gespreksvoorbeelden
De les bevat korte dialogen die je kunt oefenen, zoals gesprekken in een koffiezaak waarbij je vraagt naar iemands beroep en studie:
- ¿A qué te dedicas? – Waar werk je mee?
- ¿Dónde trabajas? – Waar werk je?
- ¿Cuál es tu profesión? – Wat is je beroep?
- ¿Por qué estudias enfermería? – Waarom studeer je verpleegkunde?
Belangrijke verschillen tussen Nederlands en Spaans in dit thema
In het Spaans worden bij het praten over werk vaak reflexieve werkwoorden gebruikt, bijvoorbeeld dedicarse a (zich wijden aan). In het Nederlands gebruiken we dat minder vaak. Daarnaast worden vraagwoorden in het Spaans vaak gevolgd door een werkwoord dat aangepast is aan de persoon, terwijl het Nederlands soms eenvoudiger is, bijvoorbeeld:
- ¿A qué te dedicas? vertaalt naar Waar houd jij je mee bezig? maar letterlijk is het meer 'Waaraan wijd jij jezelf?'.
- De Spaanse werkwoorden worden strikt vervoegd, terwijl dit in het Nederlands met werkwoorden als 'werken' meestal gelijk blijft: ik werk, jij werkt, hij werkt.
Nuttige Spaanse woorden en hun Nederlandse equivalenten
- El médico – de arts
- El enfermero – de verpleegkundige
- El camarero – de ober
- Estudiar – studeren
- Trabajar – werken
- ¿Dónde? – waar?
- ¿Por qué? – waarom?