A1.7: Beroepen en studies

Profesiones y estudios

In deze les leer je Spaanse woorden en uitdrukkingen over beroepen en studies zoals 'trabajar' (werken), 'estudiar' (studeren) en vraagwoorden als '¿A qué te dedicas?' en '¿Dónde estudias?'. Perfect voor gesprekken over werk en opleiding.

Luister- en leesmateriaal

Oefen woordenschat in context met echte materialen.

Woordenschat (22)

 El profesor: De leraar (Spaans)

El profesor

Show

De leraar Show

 Trabajar (werken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Trabajar

Show

Werken Show

 Estudiar (studeren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Estudiar

Show

Studeren Show

 El médico: de arts (Spaans)

El médico

Show

De arts Show

 El ingeniero: de ingenieur (Spaans)

El ingeniero

Show

De ingenieur Show

 El abogado: de advocaat (Spaans)

El abogado

Show

De advocaat Show

 El cocinero: De kok (Spaans)

El cocinero

Show

De kok Show

 El policía: de politieagent (Spaans)

El policía

Show

De politieagent Show

 El bombero: de brandweerman (Spaans)

El bombero

Show

De brandweerman Show

 El enfermero : de verpleegkundige (Spaans)

El enfermero

Show

De verpleegkundige Show

 El estudiante: de student (Spaans)

El estudiante

Show

De student Show

 El peluquero : de kapper (Spaans)

El peluquero

Show

De kapper Show

 El mecánico : De monteur (Spaans)

El mecánico

Show

De monteur Show

 El camarero: de ober (Spaans)

El camarero

Show

De ober Show

 El conductor: de bestuurder (Spaans)

El conductor

Show

De bestuurder Show

 El periodista: De journalist (Spaans)

El periodista

Show

De journalist Show

 El gerente: de manager (Spaans)

El gerente

Show

De manager Show

 El director: de regisseur (Spaans)

El director

Show

De regisseur Show

 Practicar (oefenen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Practicar

Show

Oefenen Show

 El empleado: de medewerker (Spaans)

El empleado

Show

De medewerker Show

 El trabajo: Het werk (Spaans)

El trabajo

Show

Het werk Show

 Dedicarse a (zich bezighouden met) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Dedicarse a

Show

Zich bezighouden met Show

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.

Toon antwoorden
1.
dedicas? | te | ¿A | qué
¿A qué te dedicas?
(Wat doe je voor werk?)
2.
ser | para | ingeniero? | estudias | ¿Dónde
¿Dónde estudias para ser ingeniero?
(Waar studeer je om ingenieur te worden?)
3.
en un | hospital. | Soy médico | y trabajo
Soy médico y trabajo en un hospital.
(Ik ben dokter en werk in een ziekenhuis.)
4.
es | profesión? | ¿Cuál | tu
¿Cuál es tu profesión?
(Wat is jouw beroep?)
5.
enfermería? | ¿Por | estudias | qué
¿Por qué estudias enfermería?
(Waarom studeer je verpleegkunde?)
6.
como | Trabajo | restaurante. | camarero | en | un
Trabajo como camarero en un restaurante.
(Ik werk als ober in een restaurant.)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Kom de vertalingen overeen

¿A qué te dedicas en el hospital? (Wat doe je in het ziekenhuis?)
Trabajo como camarero en un restaurante cercano. (Ik werk als ober in een nabijgelegen restaurant.)
El profesor explica la lección con paciencia. (De leraar legt de les geduldig uit.)
¿Dónde estudias para ser ingeniero? (Waar studeer je om ingenieur te worden?)

Oefening 3: Clusteren van woorden

Instructie: Classificeer de woorden volgens of ze verwijzen naar beroepen gerelateerd aan de gezondheidszorg of naar dienstverlenende beroepen.

Profesiones relacionadas con la salud

Profesiones de servicio

Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

El periodista


De journalist

2

Practicar


Oefenen

3

Trabajar


Werken

4

El gerente


De manager

5

El abogado


De advocaat

Ejercicio 5: Gespreksoefening

Instrucción:

  1. Noem de beroepen van elke persoon. (Noem de beroepen van elke persoon.)
  2. Wat is uw beroep? (Wat is uw beroep?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

El joven es estudiante.

De jongeman is een student.

La mujer es mecánica.

De vrouw is monteur.

Michael es policía.

Michael is een politieagent.

Giulia es periodista.

Giulia is een journalist.

¿A qué te dedicas?

Wat doe je voor werk?

Soy profesor.

Ik ben een leraar.

...

Oefening 6: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 7: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Yo _______ ingeniería en la Universidad de Madrid.

(Ik _______ techniek aan de Universiteit van Madrid.)

2. Mi amigo _______ como médico en un hospital público.

(Mijn vriend _______ als arts in een openbaar ziekenhuis.)

3. Nosotros nos _______ a la enseñanza en una escuela privada.

(Wij _______ ons aan het onderwijs op een particuliere school.)

4. ¿Dónde _______ tú, en una empresa o en un restaurante?

(Waar _______ jij, bij een bedrijf of in een restaurant?)

Oefening 8: Beroepen en studies: een gesprek in het café

Instructie:

Hoy, en la cafetería, Marta (Trabajar - Presente) como camarera. Yo (Estudiar - Presente) ingeniería en la universidad. Ella me pregunta: "¿A qué te (Dedicar - Presente) ?" Yo le (Responder - Presente) : "Yo (Trabajar - Presente) en una empresa de tecnología." Marta (Estudiar - Presente) para ser enfermera. Le pregunto: "¿Dónde (Trabajar - Presente) actualmente?"


Vandaag werkt Marta in het café als serveerster. Ik studeer engineering aan de universiteit. Ze vraagt me: "Wat doe jij voor werk?" Ik antwoord haar: "Ik werk bij een technologiebedrijf." Marta studeert om verpleegster te worden. Ik vraag haar: "Waar werk jij momenteel?"

Werkwoordschema's

Trabajar - Werken

Presente

  • yo trabajo
  • tú trabajas
  • él/ella/Ud. trabaja
  • nosotros/as trabajamos
  • vosotros/as trabajáis
  • ellos/ellas/Uds. trabajan

Estudiar - Studeren

Presente

  • yo estudio
  • tú estudias
  • él/ella/Ud. estudia
  • nosotros/as estudiamos
  • vosotros/as estudiáis
  • ellos/ellas/Uds. estudian

Dedicar - Zich wijden

Presente

  • yo me dedico
  • tú te dedicas
  • él/ella/Ud. se dedica
  • nosotros/as nos dedicamos
  • vosotros/as os dedicáis
  • ellos/ellas/Uds. se dedican

Responder - Beantwoorden

Presente

  • yo respondo
  • tú respondes
  • él/ella/Ud. responde
  • nosotros/as respondemos
  • vosotros/as respondéis
  • ellos/ellas/Uds. responden

Oefening 9: Palabras interrogativas: "Dónde?", "Cuál?", "Qué?", "Por qué?"

Instructie: Vul het juiste woord in.

Grammatica: Vraagwoorden: "Dónde?", "Cuál?", "Qué?", "Por qué?"

Toon vertaling Toon antwoorden

Cuáles, Dónde, Qué, Por qué, Cuál

1.
¿... está tu oficina?
(Waar is jouw kantoor?)
2.
¿... aprendes español?
(Waarom leer je Spaans?)
3.
¿... es tu trabajo?
(Wat is jouw werk?)
4.
¿... trabajas como abogado?
(Waarom werk je als advocaat?)
5.
¿... son tus planes para el fin de semana?
(Wat zijn je plannen voor het weekend?)
6.
¿... libro lees?
(Welk boek lees je?)
7.
¿... es tu trabajo ideal?
(Wat is jouw ideale baan?)
8.
¿... está el camarero ?
(Waar is de ober?)

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

A1.7.2 Gramática

Palabras interrogativas: "Dónde?", "Cuál?", "Qué?", "Por qué?"

Vraagwoorden: "Dónde?", "Cuál?", "Qué?", "Por qué?"


Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Estudiar studeren

Presente

Spaans Nederlands
(yo) estudio ik studeer
(tú) estudias jij studeert
(él/ella) estudia hij/zij studeert
(nosotros/nosotras) estudiamos wij studeren
(vosotros/vosotras) estudiáis jullie studeren
(ellos/ellas) estudian zij studeren

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Trabajar werken

Presente

Spaans Nederlands
(yo) trabajo ik werk
(tú) trabajas jij werkt
(él/ella) trabaja hij/zij werkt
(nosotros/nosotras) trabajamos wij werken
(vosotros/vosotras) trabajáis jullie werken
(ellos/ellas) trabajan zij werken

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Dedicarse a zich bezighouden met

Presente

Spaans Nederlands
(yo) me dedico a ik houd me bezig met
(tú) te dedicas a jij houdt je bezig met
(él/ella) se dedica a hij/zij houdt zich bezig met
(nosotros/nosotras) nos dedicamos a wij houden ons bezig met
(vosotros/vosotras) os dedicáis a jullie houden zich bezig met
(ellos/ellas) se dedican a zij houden zich bezig met

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Spaans oefenen? Dat is mogelijk! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Professions en studies: Een introductie tot spreken over werk en opleiding

In deze les leer je hoe je kunt praten over beroepen en opleidingen in het Spaans. Het is een basisles op niveau A1, waarin je onder andere leert hoe je vragen stelt over iemands beroep en opleidingsachtergrond. Ook behandelen we veelgebruikte werkwoorden en nuttige vraagwoorden die in gesprekken over werk en studie voorkomen.

Belangrijke vraagwoorden in deze les

  • ¿A qué te dedicas? – Waar houd jij je mee bezig? (Wat is je beroep?)
  • ¿Dónde? – Waar?
  • ¿Cuál? – Welke?
  • ¿Qué? – Wat?
  • ¿Por qué? – Waarom?

Vocabulaire en uitdrukkingen rondom beroepen

Je leert woorden zoals médico (arts), enfermero (verpleegkundige), camarero (ober) en werkwoorden zoals trabajar (werken) en estudiar (studeren). Bijvoorbeeld:

  • Soy médico y trabajo en un hospital. – Ik ben arts en ik werk in een ziekenhuis.
  • Trabajo como camarero en un restaurante. – Ik werk als ober in een restaurant.
  • ¿Dónde estudias para ser ingeniero? – Waar studeer je om ingenieur te worden?

Werkwoordvervoegingen in de tegenwoordige tijd

We oefenen met werkwoorden die vaak voorkomen in dit thema. Hieronder zie je de vervoegingen van enkele belangrijke werkwoorden in de presente:

  • Trabajar: yo trabajo, tú trabajas, él/ella trabaja, nosotros trabajamos, vosotros trabajáis, ellos trabajan
  • Estudiar: yo estudio, tú estudias, él/ella estudia, nosotros estudiamos, vosotros estudiáis, ellos estudian
  • Dedicar(se): yo me dedico, tú te dedicas, él/ella se dedica, nosotros nos dedicamos, vosotros os dedicáis, ellos se dedican
  • Responder: yo respondo, tú respondes, él/ella responde, nosotros respondemos, vosotros respondéis, ellos responden

Praktische gespreksvoorbeelden

De les bevat korte dialogen die je kunt oefenen, zoals gesprekken in een koffiezaak waarbij je vraagt naar iemands beroep en studie:

  • ¿A qué te dedicas? – Waar werk je mee?
  • ¿Dónde trabajas? – Waar werk je?
  • ¿Cuál es tu profesión? – Wat is je beroep?
  • ¿Por qué estudias enfermería? – Waarom studeer je verpleegkunde?

Belangrijke verschillen tussen Nederlands en Spaans in dit thema

In het Spaans worden bij het praten over werk vaak reflexieve werkwoorden gebruikt, bijvoorbeeld dedicarse a (zich wijden aan). In het Nederlands gebruiken we dat minder vaak. Daarnaast worden vraagwoorden in het Spaans vaak gevolgd door een werkwoord dat aangepast is aan de persoon, terwijl het Nederlands soms eenvoudiger is, bijvoorbeeld:

  • ¿A qué te dedicas? vertaalt naar Waar houd jij je mee bezig? maar letterlijk is het meer 'Waaraan wijd jij jezelf?'.
  • De Spaanse werkwoorden worden strikt vervoegd, terwijl dit in het Nederlands met werkwoorden als 'werken' meestal gelijk blijft: ik werk, jij werkt, hij werkt.

Nuttige Spaanse woorden en hun Nederlandse equivalenten

  • El médico – de arts
  • El enfermero – de verpleegkundige
  • El camarero – de ober
  • Estudiar – studeren
  • Trabajar – werken
  • ¿Dónde? – waar?
  • ¿Por qué? – waarom?

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏