Las palabras interrogativas se utilizan para hacer preguntas.

(Vragende woorden worden gebruikt om vragen te stellen.)

Wat leer je in dit onderdeel?

  • Je herkent de belangrijkste Spaanse vraagwoorden.
  • Je weet wanneer je welk vraagwoord gebruikt.
  • Je let op twee typische dingen in het Spaans: twee vraagtekens en accenttekens (tilde).
  • Je kunt zelf eenvoudige informatievragen maken, bijvoorbeeld op je werk of in de keuken.

1. Vraagtekens in het Spaans: altijd twee

  • In het Spaans staat er altijd een vraagteken voor en na de vraag.
  • Begin altijd met: ¿ en eindig met: ?
Goed Fout
¿Dónde guardas el aceite? Dónde guardas el aceite?
¿Cuándo llegas a la oficina? Cuándo llegas a la oficina?

Zelfcheck: Zie je bij je eigen vragen twee tekens: ¿ … ?

2. Accenttekens: waarom zo belangrijk?

Bij Spaanse vraagwoorden hoort bijna altijd een accent (tilde). Zonder accent kan het een ander woord zijn.

Met accent = vraagwoord Zonder accent = ander woord
qué = wat? que = dat / die
cómo = hoe? como = ik eet / zoals
dónde = waar? donde = waar (zonder vraag, in bijzinnen)
cuándo = wanneer? cuando = wanneer (zonder vraag, in bijzinnen)
quién = wie? quien = wie (zonder vraag, in bijzinnen)

Tip: Maak je een echte vraag? Zet dan het accent op het vraagwoord.

3. Overzicht: welk Spaans vraagwoord gebruik ik?

Hier zie je de vraagwoorden naast het Nederlandse idee. Denk eerst in het Nederlands, kies dan het Spaanse vraagwoord.

Functie Spaans Nederlands Kort voorbeeld
Ding / informatie in het algemeen ¿Qué? Wat? ¿Qué haces? – Wat doe je?
Persoon ¿Quién? (ev.) / ¿Quiénes? (mv.) Wie? ¿Quién cocina? – Wie kookt?
Keuze uit bekende opties ¿Cuál? (ev.) / ¿Cuáles? (mv.) Welke? / Wat is jouw…? ¿Cuál es tu receta favorita? – Wat is je favoriete recept?
Tijd ¿Cuándo? Wanneer? ¿Cuándo desayunas? – Wanneer ontbijt je?
Plaats (waar ben je?) ¿Dónde? Waar? ¿Dónde trabajas? – Waar werk je?
Richting (waarheen ga je?) ¿A dónde? Waarheen? / Naar waar? ¿A dónde vas? – Waar ga je heen?
Manier / proces ¿Cómo? Hoe? ¿Cómo vienes a la oficina? – Hoe kom je naar kantoor?
Reden ¿Por qué? Waarom? ¿Por qué estudias español? – Waarom leer je Spaans?

4. Hoeveel? – verschil tussen cuánto / cuánta / cuántos / cuántas

In het Spaans past cuánto zich aan aan het zelfstandig naamwoord. Zoals in het Nederlands: hoeveel kilo vs. hoeveel tomaten.

Vorm Gebruik Voorbeeld
¿Cuánto? mannelijk, enkelvoud
of zonder zelfstandig naamwoord (hoeveel in totaal)
¿Cuánto dinero necesitas?
¿Cuánto cuesta? – Hoeveel kost het?
¿Cuánta? vrouwelijk, enkelvoud ¿Cuánta agua bebes? – Hoeveel water drink je?
¿Cuántos? mannelijk, meervoud ¿Cuántos informes presentas? – Hoeveel rapporten lever je in?
¿Cuántas? vrouwelijk, meervoud ¿Cuántas reuniones tienes hoy? – Hoeveel vergaderingen heb je?

Zelfcheck: Kijk naar het Spaanse woord erna. Eindigt het op -o / -os? Gebruik dan meestal cuánto / cuántos. Eindigt het op -a / -as? Gebruik dan meestal cuánta / cuántas.

5. Qué of cuál? – een veelgestelde vraag

Voor Nederlandstaligen is dit lastig, omdat we in het Nederlands vaak alleen wat of welk(e) gebruiken.

  • ¿Qué…? = "wat" in het algemeen, geen vaste lijst of set.
  • ¿Cuál / Cuáles…? = "welke" of "wat is jouw …" uit een bekende groep / duidelijke keuze.
Spaans Nederlands Uitleg
¿Qué haces en tu trabajo? Wat doe je in je werk? Algemene informatie, geen lijst.
¿Cuál es tu receta favorita? Wat is je favoriete recept? Uit alle recepten kies je er één.
¿Cuáles son tus tareas principales? Wat zijn je belangrijkste taken? Je hebt een set taken, je noemt de belangrijkste.
¿Qué documento necesitas? Welk document heb je nodig? Algemene vraag, nog geen lijst.
¿Cuál documento necesita: el pasaporte o el DNI? Welk document heeft u nodig: het paspoort of de ID-kaart? Er is een concrete keuze: paspoort of ID.

Praktische vuistregel op A1:

  • Bij "Wat doe je…?", "Wat is …?" in algemene zin → meestal ¿Qué…?
  • Bij keuze uit een bekende groep of bij "Wat is jouw favoriete …?" → vaak ¿Cuál…?

6. Vraagwoord + werkwoord: basisvolgorde

Op A1 is de basisvolgorde van een vraag vrij eenvoudig.

  1. Vraagteken openen: ¿
  2. Vraagwoord
  3. Werkwóórd
  4. Rest van de zin (onderwerp en andere informatie)
  5. Vraagteken sluiten: ?
Structuur Voorbeeld Betekenis
¿ + Qué + werkwoord + rest? ¿Qué comes por la mañana? Wat eet je ’s ochtends?
¿ + Dónde + werkwoord + rest? ¿Dónde guardas el aceite? Waar bewaar je de olie?
¿ + Cuándo + werkwoord + rest? ¿Cuándo llegas al trabajo? Wanneer kom je op je werk?
¿ + Quién + werkwoord + rest? ¿Quién prepara el café? Wie zet de koffie?

Zelfcheck: Staat het vraagwoord bijna helemaal vooraan? Komt er direct een werkwoord achter? Dan zit je op A1-niveau meestal goed.

7. Veelgemaakte fouten om bewust te vermijden

  • Vraagteken vergeten aan het begin
    • Dónde trabajas?¿Dónde trabajas?
  • Accent vergeten op het vraagwoord
    • ¿Que haces?¿Qué haces?
    • ¿Como vienes?¿Cómo vienes?
  • Verkeerde vorm van cuánto
    • ¿Cuántas dinero tienes?¿Cuánto dinero tienes?
    • ¿Cuántos agua bebes?¿Cuánta agua bebes?
  • Qué en plaats van cuál (bij duidelijke keuze)
    • ¿Qué documento necesita: el pasaporte o el DNI?
    • ¿Cuál documento necesita: el pasaporte o el DNI?

8. Stap-voor-stap: zelf een goede vraag maken

  1. Bedenk eerst in het Nederlands: Wat wil ik precies vragen?
    • Gaat het om wie, wat, waar, wanneer, hoe, waarom, hoeveel?
  2. Kies het Spaanse vraagwoord
    • bingokaart: qué, quién, cuál, cuándo, dónde, a dónde, cómo, por qué, cuánto/-a/-os/-as
  3. Zet de basisvolgorde: ¿ + vraagwoord + werkwoord + rest + ?
  4. Controleer de vorm:
    • Heb ik de twee vraagtekens?
    • Heeft het vraagwoord een accent?
    • Klopt de vorm van cuánto met het zelfstandig naamwoord?

Voorbeeld – van Nederlands naar Spaans

  • Ik wil vragen: “Waar eet je ’s middags?”
    1. Type informatie: plaats → "waar" → dónde.
    2. Werkwoord: "eten" → comer → 2e persoon: comes.
    3. Bouwwerk: ¿Dónde comes al mediodía?

9. Kun je dit al?

  • Kun je Spaanse vragen herkennen aan ¿ … ? aan het begin en einde?
  • Kun je bij een Nederlandse vraag (wie, wat, waar, wanneer, hoe, waarom, hoeveel) het juiste Spaanse vraagwoord kiezen?
  • Let je op de accenttekens in de vraagwoorden?
  • Kun je bij "hoeveel" de juiste vorm kiezen van cuánto / cuánta / cuántos / cuántas?
  • Kun je zelf 3 vragen maken over je werk of je ochtendroutine?

Als je deze vragen met “ja” kunt beantwoorden, heb je de basis van de Spaanse vraagwoorden onder controle en kun je in de les vooral oefenen met spreken.

  1. In het Spaans worden de vraagtekens "¿ y ?" aan het begin en aan het einde van de vraag gezet.
  2. Sommige vragende woorden zijn bijvoeglijke naamwoorden en moeten overeenkomen met het zelfstandig naamwoord.
Palabras interrogativas (Vragende woorden)Ejemplos (Voorbeelden)
¿Qué?¿Qué ingredientes necesitas para el pan? (Welke ingrediënten heb je nodig voor het brood?)
¿Quién? / ¿Quiénes?¿Quién cocina la cena en tu casa? (Wie kookt het avondeten bij jou thuis?)
¿Cuál? / ¿Cuáles?¿Cuál es tu receta casera favorita? (Wat is je favoriete zelfgemaakte recept?)
¿Cuándo?¿Cuándo te levantas para desayunar? (Hoe laat sta je op om te ontbijten?)
¿Dónde?¿Dónde guardas el aceite? (Waar bewaar je de olie?)
¿A dónde?¿A dónde vas después de cenar? (Waar ga je na het avondeten naartoe?)
¿Cómo?¿Cómo se cocina la cebolla con el tomate? (Hoe bereid je de ui met de tomaat?)
¿Por qué?¿Por qué te gusta cocinar con mantequilla? (Waarom kook je graag met boter?)
¿Cuánto? / ¿Cuánta?¿Cuánto azúcar necesitas? (Hoeveel suiker heb je nodig?)
¿Cuántos? / ¿Cuántas?¿Cuántas cebollas usas en la receta? (Hoeveel uien gebruik je in het recept?)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. ¿_____ documento necesita para hacer el check-in: el pasaporte o el DNI?

_____ document heeft u nodig om in te checken: het paspoort of de identiteitskaart?)

2. ¿_____ firma este contrato, tú o la jefa de proyecto?

_____ ondertekent dit contract, jij of de projectleider?)

3. ¿_____ tomamos el café mañana, en la oficina o en el bar de la esquina?

_____ drinken we morgen koffie, op kantoor of in het café op de hoek?)

4. ¿_____ informes presentas hoy para la reunión del equipo?

_____ rapporten levert u vandaag in voor de teamvergadering?)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen als vragen met het aangegeven vraagwoord tussen haakjes.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (¿Cuándo?) Vas al supermercado por la tarde.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    ¿Cuándo vas al supermercado?
    (Wanneer ga je vanmiddag naar de supermarkt?)
  2. Hint Hint (¿Dónde?) El aceite está en el armario de la cocina.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    ¿Dónde está el aceite?
    (Waar staat de olie in de keuken?)
  3. Hint Hint (¿Cuántos?) Necesito dos kilos de tomates para la cena.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    ¿Cuántos kilos de tomates necesitas para la cena?
    (Hoeveel kilo tomaten heb je nodig voor het avondeten?)
  4. Hint Hint (¿Cómo?) Cocino la pasta con ajo y aceite de oliva.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    ¿Cómo cocinas la pasta?
    (Hoe bereid je de pasta?)
  5. Hint Hint (¿Quién?) Mi jefe prepara el café en la oficina.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    ¿Quién prepara el café en la oficina?
    (Wie zet de koffie op kantoor?)
  6. Hint Hint (¿Cuál?) Quiero esta ensalada para el almuerzo.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    ¿Cuál ensalada quieres para el almuerzo?
    (Welke salade wil je lunchen?)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Praat met je klasgenoot en stel hem/haar vragen om hem/haar beter te leren kennen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
En tu primer día en una oficina nueva conoces a un compañero de trabajo.
(Op je eerste werkdag op een nieuw kantoor maak je kennis met een collega.)

Bespreek
  • Pregunta por su trabajo: ¿qué tareas hace, cuál es su horario y con quién trabaja? (Vraag naar zijn of haar werk: welke taken voert hij of zij uit, wat zijn de werktijden en met wie werkt hij of zij?)
  • Pregunta por su rutina diaria: ¿cuándo llega, cómo viene a la oficina y adónde va después de trabajar? ¿Por qué tiene esa rutina? (por ejemplo gimnasio o llevar a los hijos) (Vraag naar de dagelijkse routine: wanneer komt hij of zij aan, hoe reist hij of zij naar kantoor en waar gaat hij of zij naartoe na het werk? Waarom heeft hij of zij die routine? (bijvoorbeeld naar de sportschool gaan of de kinderen brengen))

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • ¿Qué haces en tu trabajo? (Wat doe je op je werk?)
  • ¿Dónde te sientas en la oficina? (Waar zit je op kantoor?)
  • ¿Cuándo tienes la pausa y cuánto dura? (Wanneer heb je pauze en hoe lang duurt die?)

Gebruik in gesprek
  • ¿Qué…? / ¿Cuál…? (Wat...? / Welke...?)
  • ¿Cuándo…? / ¿Dónde…? / ¿A dónde…? (Wanneer...? / Waar...? / Waarheen...?)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage