Las palabras interrogativas se utilizan para hacer preguntas.
(Vragende woorden worden gebruikt om vragen te stellen.)
- In het Spaans worden de vraagtekens "¿ y ?" aan het begin en aan het einde van de vraag gezet.
- Sommige vragende woorden zijn bijvoeglijke naamwoorden en moeten overeenkomen met het zelfstandig naamwoord.
| Palabras interrogativas (Vragende woorden) | Ejemplos (Voorbeelden) |
|---|---|
| ¿Qué? | ¿Qué ingredientes necesitas para el pan? (Welke ingrediënten heb je nodig voor het brood?) |
| ¿Quién? / ¿Quiénes? | ¿Quién cocina la cena en tu casa? (Wie kookt het avondeten bij jou thuis?) |
| ¿Cuál? / ¿Cuáles? | ¿Cuál es tu receta casera favorita? (Wat is je favoriete zelfgemaakte recept?) |
| ¿Cuándo? | ¿Cuándo te levantas para desayunar? (Hoe laat sta je op om te ontbijten?) |
| ¿Dónde? | ¿Dónde guardas el aceite? (Waar bewaar je de olie?) |
| ¿A dónde? | ¿A dónde vas después de cenar? (Waar ga je na het avondeten naartoe?) |
| ¿Cómo? | ¿Cómo se cocina la cebolla con el tomate? (Hoe bereid je de ui met de tomaat?) |
| ¿Por qué? | ¿Por qué te gusta cocinar con mantequilla? (Waarom kook je graag met boter?) |
| ¿Cuánto? / ¿Cuánta? | ¿Cuánto azúcar necesitas? (Hoeveel suiker heb je nodig?) |
| ¿Cuántos? / ¿Cuántas? | ¿Cuántas cebollas usas en la receta? (Hoeveel uien gebruik je in het recept?) |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. ¿_____ documento necesita para hacer el check-in: el pasaporte o el DNI?
_____ document heeft u nodig om in te checken: het paspoort of de identiteitskaart?)2. ¿_____ firma este contrato, tú o la jefa de proyecto?
_____ ondertekent dit contract, jij of de projectleider?)3. ¿_____ tomamos el café mañana, en la oficina o en el bar de la esquina?
_____ drinken we morgen koffie, op kantoor of in het café op de hoek?)4. ¿_____ informes presentas hoy para la reunión del equipo?
_____ rapporten levert u vandaag in voor de teamvergadering?)Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen als vragen met het aangegeven vraagwoord tussen haakjes.
-
⇒ _______________________________________________ Example¿Cuándo vas al supermercado?(Wanneer ga je vanmiddag naar de supermarkt?)
-
⇒ _______________________________________________ Example¿Dónde está el aceite?(Waar staat de olie in de keuken?)
-
⇒ _______________________________________________ Example¿Cuántos kilos de tomates necesitas para la cena?(Hoeveel kilo tomaten heb je nodig voor het avondeten?)
-
⇒ _______________________________________________ Example¿Cómo cocinas la pasta?(Hoe bereid je de pasta?)
-
⇒ _______________________________________________ Example¿Quién prepara el café en la oficina?(Wie zet de koffie op kantoor?)
-
⇒ _______________________________________________ Example¿Cuál ensalada quieres para el almuerzo?(Welke salade wil je lunchen?)
Oefening 3: Grammatica in actie
Instructie: Praat met je klasgenoot en stel hem/haar vragen om hem/haar beter te leren kennen.
- Pregunta por su trabajo: ¿qué tareas hace, cuál es su horario y con quién trabaja? (Vraag naar zijn of haar werk: welke taken voert hij of zij uit, wat zijn de werktijden en met wie werkt hij of zij?)
- Pregunta por su rutina diaria: ¿cuándo llega, cómo viene a la oficina y adónde va después de trabajar? ¿Por qué tiene esa rutina? (por ejemplo gimnasio o llevar a los hijos) (Vraag naar de dagelijkse routine: wanneer komt hij of zij aan, hoe reist hij of zij naar kantoor en waar gaat hij of zij naartoe na het werk? Waarom heeft hij of zij die routine? (bijvoorbeeld naar de sportschool gaan of de kinderen brengen))
- ¿Qué haces en tu trabajo? (Wat doe je op je werk?)
- ¿Dónde te sientas en la oficina? (Waar zit je op kantoor?)
- ¿Cuándo tienes la pausa y cuánto dura? (Wanneer heb je pauze en hoe lang duurt die?)
- ¿Qué…? / ¿Cuál…? (Wat...? / Welke...?)
- ¿Cuándo…? / ¿Dónde…? / ¿A dónde…? (Wanneer...? / Waar...? / Waarheen...?)