Verbos y expresiones para describir preferencias

(Werkwoorden en uitdrukkingen om voorkeuren te beschrijven)

1. Wat leer je in dit blok?

  • Hoe je met gustar en encantar zegt wat je (niet) leuk vindt.
  • Hoe je met preferir zegt wat je liever doet.
  • Hoe je reageert op de smaak van een ander met también, tampoco, a mí sí en a mí no.

Na dit blok kun je in het Spaans rustig praten over jouw voorkeuren en reageren op die van anderen.

2. Gustar & encantar: het werkt anders dan in het Nederlands

Belangrijk: in het Spaans is niet jij het onderwerp, maar wat je leuk vindt.

  • Me gusta la música. → De muziek bevalt mij.
  • Me encantan estas canciones. → Deze liedjes verrukken mij / ik ben dol op deze liedjes.

Let op twee dingen:

  1. Voornaamwoord vóór het werkwoord (me, te, le, nos, os, les).
  2. Gusta / gustan (of encanta / encantan) hangt af van het ding erna.
Singular (1 ding / infinitief) Plural (meerdere dingen)
Me gusta la película. Me gustan las películas.
Me encanta bailar. Me encantan tus ideas.

Zelfcheck

  • Staat er een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud of een werkwoord op -ar/-er/-ir → gebruik gusta / encanta.
  • Staat er een meervoud zelfstandig naamwoord → gebruik gustan / encantan.

3. De voornaamwoorden: wie vindt het leuk?

Met me, te, le, nos, os, les zeg je wie iets leuk vindt.

Spaans Letterlijk Betekenis
Me gusta… Het bevalt mij Ik vind … leuk.
Te gusta… Het bevalt jou Jij vindt … leuk.
Le gusta… Het bevalt hem/haar/u Hij/zij/u vindt … leuk.
Nos gusta… Het bevalt ons Wij vinden … leuk.
Os gusta… Het bevalt jullie Jullie vinden … leuk.
Les gusta… Het bevalt hen/u (mv.) Zij/zij (u mv.) vinden … leuk.

Vaak staat er ook a + persoon bij om te benadrukken over wie je het hebt:

  • A mí me gusta el teatro.
  • A Juan le encanta viajar.
  • A mis amigos no les gustan los museos.

Tip: zie a mí / a ti / a él… als extra nadruk. Het echte grammaticale signaal is me / te / le / nos / os / les.

4. Ontkenning: hoe zeg je dat je iets níet leuk vindt?

Ontkenning is eenvoudig: zet no vóór het voornaamwoord.

  • No me gusta el fútbol.
  • No les encantan los museos.
  • No nos gusta salir los lunes.

Let op: bij tampoco (zie hieronder) gebruik je geen extra no in het tweede deel.

  • A mí no me gusta el teatro. — A mí tampoco.
    A mí no me gusta el teatro. — A mí no tampoco.

5. Preferir: zeggen wat je liever doet

Preferir betekent “liever hebben / liever doen”. Dit werkwoord gedraagt zich normaal (zoals andere werkwoorden), niet zoals gustar.

  • Yo prefiero ir al cine.
  • Ellos prefieren ir al teatro.

Het is een onregelmatig werkwoord: e → ie in de stam, behalve bij nosotros en vosotros.

Persoon Vorm van preferir Voorbeeld
yo prefiero Yo prefiero el cine.
prefieres ¿Tú prefieres el teatro?
él/ella/usted prefiere Ella prefiere un concierto.
nosotros/as preferimos Nosotros preferimos salir temprano.
vosotros/as preferís ¿Preferís cenar fuera?
ellos/ellas/ustedes prefieren Ellos prefieren el museo.

Om twee dingen te vergelijken gebruik je vaak:

  • Prefiero X a Y.
    Bijvoorbeeld: Prefiero ir al cine a ir al teatro.

6. Reageren op iemands smaak: también, tampoco, a mí sí, a mí no

Je hoeft in het antwoord niet de hele zin te herhalen. In het Spaans kun je heel kort reageren.

6.1 Als je het eens bent

  • De eerste zin is positief → gebruik también.

Voorbeeld:

  • A mí me gusta el jazz. — A mí también.
  • A Juan le encanta bailar. — A mí también.

6.2 Als je het oneens bent met iets positiefs

  • De eerste zin is positief, jij niet → gebruik a mí no.

Voorbeeld:

  • A mí me gusta el jazz. — A mí no.
    (= Ik niet.)

6.3 Als je het eens bent met iets negatiefs

  • De eerste zin is negatief → gebruik tampoco.

Voorbeeld:

  • A mí no me gusta bailar salsa. — A mí tampoco.
    (= Ik ook niet.)

Belangrijk: tampoco bevat zelf al “niet / ook niet”. Geen extra no erbij:

  • A mí no tampoco. → fout
  • A mí tampoco. → goed

6.4 Als je het oneens bent met iets negatiefs

  • De eerste zin is negatief, maar jij wél → gebruik a mí sí.

Voorbeelden:

  • A mí no me gusta este artista. — A mí . (= Ik wel.)
  • A mí no me encanta salir los viernes. — A mí .

7. Veelgemaakte fouten (en hoe je ze vermijdt)

  • Fout onderwerp
    Yo gusto la música.
    Me gusta la música.
  • Verkeerde enkelvoud / meervoud
    Me gustan el cine. (cine = enkelvoud)
    → Me gusta el cine.
    Me gusta las películas. (películas = meervoud)
    → Me gustan las películas.
  • Dubbele ontkenning met tampoco
    A mí no tampoco.
    → A mí tampoco.
  • Preferir als gustar gebruiken
    Me prefiero el teatro.
    Prefiero el teatro.

8. Snelle checklist: kun jij dit al?

  • Kun je zinnen maken met me/te/le/nos/os/les gusta(n) / encanta(n)?
  • Kun je zeggen wat je liever doet met prefiero / prefieres / preferimos…?
  • Kun je op iemand reageren met también, tampoco, a mí sí, a mí no zonder de hele zin te herhalen?

Als je deze drie vragen met “ja” kunt beantwoorden, beheers je de basis en ben je klaar om in de les vooral te spreken en oefenen.

  1. Met deze werkwoorden gebruik je de voornaamwoorden "me, te, le, nos, os, les" .
  2. We gebruiken "también" voor bevestigingen en "tampoco" voor ontkenningen.
Verbo (Werkwoord)Ejemplos (Voorbeelden)
Encantar (Heel leuk vinden / gek zijn op)

Me encanta la música. (Ik ben dol op muziek.)

No me encantan estas canciones. (Ik ben niet dol op deze liedjes.)

Preferir (Verkiezen / liever hebben)

Prefiero bailar que cantar. (Ik dans liever dan dat ik zing.)

Ellos prefieren ir al teatro, no al cine. (Zij gaan liever naar het theater dan naar de bioscoop.)

Gustos iguales (Dezelfde smaak)

A mí me gusta. - A mí también. (Ik vind het leuk. - Ik ook.)

A mí no me gusta. - A mí tampoco. (Ik vind het niet leuk. - Ik ook niet.)

Gustos diferentes (Verschillende smaak)

A mí me gusta - A mí no. (Ik vind het leuk - ik niet.)

A mí no me gusta. - A mí sí. (Ik vind het niet leuk. - Ik wel.)

Uitzonderingen!

  1. Onthoud dat het woord "tampoco" al een ontkenning bevat en dat je het niet met "no" kunt gebruiken.
  2. Het werkwoord "preferir" is onregelmatig. In de stam verandert de "e" in "ie" in alle vormen behalve bij "nosotros" en "vosotros".

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Los viernes por la noche ___ encanta salir a bailar con mis amigos.

Op vrijdagavonden ___ ga ik graag met mijn vrienden uit om te dansen.)

2. ¿___ ir al cine o al teatro esta noche?

___ je er de voorkeur aan vanavond naar de bioscoop of naar het theater te gaan?)

3. A mí me gusta el concierto; a mí ___.

Ik vind het concert leuk; ik ___.)

4. A mí no me gusta este artista; a mí ___.

Ik vind deze artiest niet leuk; ik ___.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen om voorkeuren en overeenkomsten/tegenstellingen uit te drukken met de juiste vormen van encantar, preferir, también, tampoco, “a mí sí” of “a mí no”.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (encantar) Me gusta mucho el teatro.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Me encanta el teatro.
    (Ik houd erg van theater.)
  2. Hint Hint (encantar) No me gusta nada la ópera.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    No me encanta la ópera.
    (Ik houd helemaal niet van opera.)
  3. Hint Hint (preferir) Prefiero ir al cine.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Prefiero ir al cine a ir al teatro.
    (Ik ga liever naar de bioscoop dan naar het theater.)
  4. Hint Hint (tambie9n) A mí me gusta el jazz. A mí también me gusta el jazz.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    A mí me gusta el jazz. — A mí también.
    (A mí me gusta el jazz. — A mí también.)
  5. Hint Hint (tampoco) A mí no me gusta bailar salsa. A mí tampoco me gusta bailar salsa.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    A mí no me gusta bailar salsa. — A mí tampoco.
    (A mí no me gusta bailar salsa. — A mí tampoco.)
  6. Hint Hint (a med sed) A mí me encanta salir de fiesta. A mí me encanta también.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    A mí me encanta salir de fiesta. — A mí sí.
    (A mí me encanta salir de fiesta. — A mí sí.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Praat met je partner en kies samen welk plan jullie vanavond prefereren.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Es viernes por la noche y planeas la salida con un amigo.
(Het is vrijdagavond en je plant een avondje uit met een vriend.)

Bespreek
  • ¿Qué prefieres esta noche: cine, teatro, concierto o salir a bailar? ¿Por qué? (Wat verkies je vanavond: bioscoop, theater, concert of uitgaan om te dansen? Waarom?)
  • Cuéntale a tu compañero un artista o espectáculo que te encanta y explica por qué no te gustan otros. (Vertel je vriend over een artiest of voorstelling die je geweldig vindt en leg uit waarom je andere niet leuk vindt.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Ir al cine (Naar de bioscoop gaan)
  • Ir al teatro (Naar het theater gaan)
  • Ir a un concierto / salir a bailar (Naar een concert gaan / uitgaan om te dansen)

Gebruik in gesprek
  • Me encanta / No me encantan (Ik ben dol op / Ik ben niet dol op)
  • A mí también / A mí tampoco / A mí sí / A mí no (Ik ook / Ik ook niet / Ik wel / Ik niet)
  • Prefiero X a Y (Ik verkies X boven Y)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage