Las fechas en español siguen el orden "día + de + mes + de + año", por ejemplo: "1 de enero de 2023", "15 de agosto".

(De data in het Spaans volgen de volgorde "día + de + mes + de + año", bijvoorbeeld: "1 de enero de 2023", "15 de agosto".)

1. Basis: het vaste spaans volgorde voor data

  • In het Spaans is de volgorde altijd: dag + de + maand + de + jaar.
  • Je zegt en schrijft dus: el 15 de junio de 2023.
  • Nooit: el junio 15 of 15 junio 2023 zonder de.
Nederlands Spaans
15 juni 2023 el 15 de junio de 2023
3 april el 3 de abril

Zelfcheck: kun je hardop zeggen: 27 oktober 2024 → el 27 de octubre de 2024?

2. Wanneer gebruik je el?

  • Voor data gebruik je bijna altijd el + dag.
  • el betekent hier gewoon: “op de datum …”.
De vakantie begint op 15 juni. Las vacaciones empiezan el 15 de junio.
De vergadering is op 3 april 2025. La reunión es el 3 de abril de 2025.
  • Zonder el klinkt het in het Spaans meestal onvolledig: Vacaciones empiezan 15 de junio.

Zelfcheck: kun je deze zin in je hoofd afmaken?
Mi contrato termina ___ 30 de septiembre de 2023.el

3. De maanden en dagen: hoofdletter of niet?

  • In het Spaans schrijf je maanden en dagen van de week met kleine letter.
  • Ook aan het begin van de zin blijven ze klein.
El 15 de Junio El 15 de junio
Martes, 5 de Julio de 2022 martes, 5 de julio de 2022

Tip: denk: “In het Spaans zijn maanden en dagen ‘bescheiden’ → geen hoofdletter.”

4. De eerste dag van de maand: 1, 1.º of primero?

  • Voor alle dagen behalve de eerste: gewoon cijfer + de.
    el 2 de mayo, el 15 de junio, el 30 de septiembre …
  • Voor de eerste van de maand zijn er twee mogelijkheden:
    • el 1.º de enero (of gewoon el 1 de enero in veel teksten)
    • el primero de enero (uitgeschreven)
1 januari 2024 el 1.º de enero de 2024 / el primero de enero de 2024
2 januari 2024 el 2 de enero de 2024

Praktisch advies: als A1-leerder is el 1 de enero of el 1.º de enero het makkelijkst om consequent te gebruiken.

5. Met of zonder jaar?

  • Met jaar: gebruik het volledige schema dag + de + maand + de + jaar.
  • Zonder jaar: laat alleen het laatste de + jaar weg.
Ik begin op 15 juni 2025. Empiezo el 15 de junio de 2025.
Ik begin op 15 juni (dit jaar is al duidelijk). Empiezo el 15 de junio.

Zelfcheck: kun je deze datum omzetten?
01/09/2024 → el 1 de septiembre de 2024

6. Hoe vraag je naar de datum?

  • Standaardvraag: ¿Qué día es hoy? (Welke dag is het vandaag?)
  • Antwoord altijd met el + datum:
¿Qué día es hoy? Es el 3 de abril.
¿Qué día es hoy? Es el 25 de diciembre.

Uitbreiden: je kunt ook het jaar toevoegen: Es el 3 de abril de 2025.

7. Een weekdag erbij noemen

  • Als je de dag van de week wilt noemen, komt die voor de datum.
  • Structuur: día de la semana + , + día + de + mes + de + año.
maandag 5 juli 2022 lunes, 5 de julio de 2022
zaterdag 15 juni sábado, 15 de junio

Let op: ook hier blijven dagen klein: lunes, martes, miércoles …

8. Jaarlijkse gebeurtenissen: vaste data

  • Voor dingen die elk jaar op dezelfde datum zijn, gebruik je:

cada año + el + dag + de + maand

Ieder jaar is op 6 januari een feestdag. Cada año el 6 de enero hay fiesta.
Kerstmis is op 25 december. La Navidad es el 25 de diciembre.

Zelfcheck: Hoe zeg je “Elk jaar op 1 mei hebben we een vrije dag.”?
Cada año el 1 de mayo tenemos un día libre.

9. Typische fouten voor Nederlandstaligen

  • Dag en maand omdraaien
    • el junio 15el 15 de junio
  • de vergeten
    • el 15 junio 2023el 15 de junio de 2023
  • el weglaten
    • Navidad es 25 de diciembreLa Navidad es el 25 de diciembre.
  • Hoofdletters gebruiken
    • El 5 de JulioEl 5 de julio

10. Mini-stappenplan: van cijfers naar Spaanse datum

  1. Lees de datum in cijfers.
    Voorbeeld: 03/04/2023.
  2. Bepaal dag en maand.
    Dag = 3, maand = april.
  3. Zet het in het Spaanse schema.
    el + dag + de + maand + de + jaar
    el 3 de abril de 2023.
  4. Controleer 3 dingen:
    • Staat el voor de dag?
    • Staan beide de er (voor maand en voor jaar)?
    • Zijn maand en weekdag met kleine letters geschreven?

Als je deze 4 stappen kunt volgen, kun je in het Spaans elke datum zeggen en schrijven.

  1. De data volgen de volgorde: día + de + mes + de + año.
  2. De namen van de maanden worden altijd met een kleine letter geschreven.
  3. Om alleen de dag en maand te zeggen: "15 de agosto", zonder het jaar.
Formato (Formaat)Ejemplo (Voorbeeld)
Fecha completa (Volledige datum)1 de enero de 2023
Fecha sin año (Datum zonder jaar)15 de agosto
Fecha con día de la semana (Datum met weekdag)Martes, 5 de julio de 2022
Pregunta (Vraag)¿Qué día es hoy? - Es el 3 de abril.
Uso en contexto (Gebruik in context)Las vacaciones empiezan el 15 de junio.

Uitzonderingen!

  1. De eerste dag van de maand gebruikt "el 1º" of "el primero".
  2. Om over een jaarlijks evenement te praten, gebruik je "cada año el 6 de enero".
  3. Dagen van de week krijgen in het Spaans geen hoofdletter.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Mis vacaciones empiezan ___ 15 de agosto.

Mijn vakantie begint ___ 15 augustus.)

2. La reunión es ___ 3 de abril de 2024.

De vergadering is ___ 3 april 2024.)

3. El contrato empieza ___ 1 de enero.

Het contract begint ___ 1 januari.)

4. En mi empresa planificamos las vacaciones cada año ___ 6 de enero.

In mijn bedrijf plannen we de vakanties elk jaar ___ 6 januari.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Zoek en schrijf de volledige datum in het Spaans (dag + de + maand + de + jaar) of dag en maand wanneer het jaar ontbreekt; herschrijf elke volledige zin.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hoy es 03/04/2023.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hoy es 3 de abril de 2023.
    (Hoy es 3 de abril de 2023.)
  2. Las vacaciones empiezan el 15/06.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Las vacaciones empiezan el 15 de junio.
    (Las vacaciones empiezan el 15 de junio.)
  3. Mi contrato termina el lunes, 05/07/2022.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mi contrato termina el lunes, 5 de julio de 2022.
    (Mi contrato termina el lunes, 5 de julio de 2022.)
  4. La reunión de equipo es el 01/09/2024.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    La reunión de equipo es el 1 de septiembre de 2024.
    (La reunión de equipo es el 1 de septiembre de 2024.)
  5. ¿Qué día es hoy? Hoy es 25/12.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    ¿Qué día es hoy? Hoy es 25 de diciembre.
    (¿Qué día es hoy? Hoy es 25 de diciembre.)
  6. Cada año tenemos un día libre el 06/01.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Cada año tenemos un día libre el 6 de enero.
    (Cada año tenemos un día libre el 6 de enero.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Praat met een klasgenoot en spreek de data van jullie vakantie af.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
En la oficina, dos compañeros organizan el calendario de vacaciones anuales.
(Op kantoor organiseren twee collega’s de jaarlijkse vakantiekalender.)

Bespreek
  • ¿Qué día es hoy y cuándo empiezan tus próximas vacaciones? (Welke dag is het vandaag en wanneer beginnen jouw volgende vakanties?)
  • ¿Qué días festivos importantes hay en tu país? Di las fechas concretas en español. Por ejemplo: la Navidad, la Nochevieja, la Semana Santa… (Welke belangrijke feestdagen zijn er in jouw land? Noem de concrete datums in het Spaans. Bijvoorbeeld: Navidad, Nochevieja, Semana Santa…)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Las vacaciones empiezan el 15 de junio. (De vakantie begint op 15 juni.)
  • Cada año el 6 de enero hay fiesta. (Ieder jaar is op 6 januari een feestdag.)
  • La Navidad es el 25 de diciembre. (Kerstmis is op 25 december.)

Gebruik in gesprek
  • 15 de agosto (15 augustus)
  • el 1 de enero de 2025 (1 januari 2025)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage