Las preposiciones son palabras que indican la posición o ubicación de un objeto, persona o lugar en relación con otros.

(Voorzetsels zijn woorden die de positie of locatie van een voorwerp, persoon of plaats aangeven in relatie tot andere.)

1. Wat leer je in dit hoofdstuk?

  • Het werkwoord ir (gaan) in de tegenwoordige tijd.
  • Het verschil tussen ir en / ir a / ir hacia.
  • Andere voorzetsels van beweging: por, sobre, desde.
  • Waar je in het Spaans vaak een voorzetsel nodig hebt, en in het Nederlands niet.

Doel: aan het einde kun je zelf korte zinnen maken als:

  • Voy en metro al trabajo.
  • Voy a la oficina desde mi casa.
  • Camino hacia el centro por el parque.

2. Herhaling: ir in de tegenwoordige tijd

Ir is onregelmatig. Leer de rij uit je hoofd.

Persoon Vorm van ir Voorbeeld
yo voy Yo voy en bus.
vas Tú vas a casa.
él / ella / usted va Ella va en tren.
nosotros/-as vamos Vamos al centro.
vosotros/-as vais Vosotros vais a la oficina.
ellos / ellas / ustedes van Ellos van en coche.
  • Alle andere woorden in de zin veranderen, maar ir blijft in deze vorm staan.
  • Daarna komt meestal een voorzetsel (en, a, hacia …).

3. De drie belangrijkste combinaties met ir

In dit hoofdstuk zie je vooral:

  • ir + en = middel van vervoer.
  • ir + a = concrete bestemming.
  • ir + hacia = richting (globaal, “in de richting van”).
Type Structuur Voorbeeld Spaans Betekenis NL
Middel ir + en + vervoermiddel Voy en tren. Ik ga met de trein.
Bestemming ir + a + plaats Vas a Madrid. Je gaat naar Madrid.
Richting ir + hacia + richting Vamos hacia el norte. We gaan richting het noorden.

4. Ir en: hoe ga je? (vervoermiddel)

Gebruik en na ir als je zegt hoe je je verplaatst.

  • Voy en autobús. – Ik ga met de bus.
  • Vas en tren. – Jij gaat met de trein.
  • Ellos van en coche. – Zij gaan met de auto.

Let op: vaste uitzondering

  • Te voet = a pie, dus: Voy a pie.
  • Voy en pie. – dit is fout.

Zelfcheck

  1. Staat er een middel van vervoer? (bus, tren, metro, taxi, coche…)
  2. Dan gebruik je in het Spaans bijna altijd: ir + en + middel.
  3. Alleen bij lopen: ir a pie.

5. Ir a: waar ga je naartoe? (bestemming)

Gebruik a na ir als je een concrete bestemming noemt.

  • Voy a la oficina. – Ik ga naar kantoor.
  • Vas a Madrid. – Je gaat naar Madrid.
  • Vamos al centro. – We gaan naar het centrum.

al = a + el

  • a + el parqueal parque.
  • a + el trabajoal trabajo.

Typische verwarring met Nederlands

  • In het Nederlands zeg je: “Ik ga naar het werk”.
  • In het Spaans moet je kiezen: a (bestemming) of en (vervoer).

Beide kun je combineren:

  • Voy en metro al trabajo.
    = Ik ga met de metro naar mijn werk.

Zelfcheck

  1. Noem ik een plek waar ik uitkom? (stad, gebouw, plein…)
  2. Ja → gebruik ir + a (+ la / al + plaats).
  3. Combineer met en als je ook het vervoermiddel noemt.

6. Ir hacia: in welke richting?

Hacia betekent: richting, niet per se de eindbestemming.

  • Ella va hacia el norte. – Zij gaat richting het noorden.
  • Camináis hacia el parque. – Jullie lopen richting het park.
  • Voy hacia el centro. – Ik ga richting het centrum.

Wanneer gebruik je hacia?

  • Als de richting belangrijker is dan de exacte eindbestemming.
  • Bij uitleg van een route: “loop richting X”.

Vergelijk

  • Voy al parque. – Ik ga (echt) naar het park.
  • Voy hacia el parque. – Ik ga in de richting van het park (misschien erlangs).

7. Por, sobre en desde: route, bovenlangs, oorsprong

Naast en, a, hacia komen nog drie belangrijke voorzetsels voor beweging voor.

7.1. Por: waar ga je langs? (route / door)

Por gebruik je voor de weg / route die je neemt.

  • Pasamos por el parque. – We gaan door het park.
  • Camino por el centro. – Ik loop door het centrum.
  • Voy a casa por esta calle. – Ik ga naar huis via deze straat.

Zelfcheck

  1. Is het een plek waar je doorheen of langs gaat, niet waar je eindigt?
  2. Ja → gebruik meestal por.

7.2. Sobre: boven / over iets heen

Sobre bij beweging = boven iets, eroverheen.

  • El avión vuela sobre la ciudad. – Het vliegtuig vliegt over de stad (erboven).
  • El puente pasa sobre el río. – De brug gaat over de rivier.

Verwar dit niet met por la ciudad:

  • Camino por la ciudad. – Ik loop door de stad (op straat).
  • Vuelo sobre la ciudad. – Ik vlieg boven de stad.

7.3. Desde: waar kom je vandaan? (oorsprong)

Desde geeft het beginpunt van de beweging.

  • Vienen desde la oficina. – Ze komen vanuit het kantoor.
  • Voy desde casa hasta la estación.
    – Ik ga van huis tot het station.

Typische combinatie

  • desde = van/desde waar.
  • hasta = tot waar.

8. Veelgemaakte fouten (en hoe je ze vermijdt)

  • Vervoermiddel met a
    Voy a bus.Voy en bus.
  • Te voet met en
    Voy en pie.Voy a pie.
  • Naar een plaats zonder a
    Voy Madrid.Voy a Madrid.
  • a el niet samenvoegen
    Voy a el parque.Voy al parque.
  • por vs. sobre
    El avión vuela por la ciudad. (klinkt alsof hij tussen de gebouwen vliegt)
    El avión vuela sobre la ciudad.

9. Stappenplan: zelf een correcte zin maken

  1. Kies de persoon
    yo / tú / él / ella / nosotros / vosotros / ellos.
  2. Kies de juiste vorm van ir
    voy – vas – va – vamos – vais – van.
  3. Bedenk: wat wil ik zeggen?
    • Hoe ga ik? → voeg en + vervoermiddel toe (en bus).
    • Waarheen ga ik? → voeg a + plaats toe (a la oficina / al centro).
    • In welke richting ga ik? → voeg hacia + richting toe.
    • Waardoor / langs waar ga ik? → voeg por + route toe.
    • Van waar vertrek ik? → voeg desde + beginpunt toe.
  4. Combineer elementen
    • Voy en metro al trabajo.
    • Voy a la oficina por el parque.
    • Voy desde casa hacia el centro.

10. Mini-check: begrijp je het?

Kun je de volgende vragen voor jezelf beantwoorden?

  • Hoe zeg ik in het Spaans: “Ik ga met de trein naar Madrid”?
  • Hoe zeg ik: “Wij lopen te voet vanaf huis door het park naar het centrum”?
  • Hoe maak ik het verschil tussen “naar het park” en “richting het park”?

Mogelijke antwoorden:

  • Voy en tren a Madrid.
  • Vamos a pie desde casa por el parque al centro.
  • Voy al parque vs. Voy hacia el parque.

Als dit duidelijk is, ben je klaar om de vormen actief te gebruiken in gesprekken.

  1. De vervoegingen van "ir" in de tegenwoordige tijd zijn: "voy", "vas", "va", "vamos", "vais", "van".
Preposición (Voorzetsel)Reglas (Regels)Ejemplo (Voorbeeld)
Ir + enMedio de transporte (Vervoermiddel)Yo voy en autobús (Ik ga met de bus)
Ir + aDestino específico (Specifieke bestemming) vas a Madrid (Jij gaat naar Madrid)
Ir + haciaDirección general (Algemene richting)Ella va hacia el norte (Zij gaat richting het noorden)
SobreMovimiento por encima (Beweging erboven)El avión vuela sobre la ciudad (Het vliegtuig vliegt boven de stad)
PorLugar de paso (Plaats waar je doorheen gaat)Nosotros pasamos por el parque (Wij gaan door het park)
HaciaDirección general (Algemene richting)Vosotros camináis hacia el parque (Jullie lopen richting het park)
Desde Punto de origen (Vertrekpunt)Ellos vienen desde la oficina (Zij komen vanuit het kantoor)

Uitzonderingen!

  1. Bij vervoermiddelen gebruiken we het voorzetsel "en", maar we zeggen "ir a pie".

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Cada mañana voy ___ metro al trabajo, no voy ___ coche.

Elke ochtend ga ik ___ metro naar mijn werk; ik ga niet ___ auto.)

2. Primero vas ___ la estación y después coges el tren ___ Barcelona.

Eerst ga je ___ het station en daarna neem je de trein ___ Barcelona.)

3. Para ir al centro, muchas personas van ___ autobús, pero yo casi siempre voy ___ pie.

Om naar het centrum te gaan, gaan veel mensen ___ bus, maar ik ga bijna altijd ___ voet.)

4. Salgo ___ mi casa, paso ___ el parque y luego camino ___ la parada de tranvía.

Ik vertrek ___ mijn huis, loop ___ het park en daarna loop ___ de tramhalte.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met de juiste plaatsvoorzetsel van beweging (in, naar, richting, over, door, vanaf) en gebruik indien nodig het werkwoord gaan in de tegenwoordige tijd.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (en) Yo voy al trabajo coche.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Yo voy al trabajo en coche.
    (Yo voy al trabajo en coche.)
  2. Hint Hint (a) Maf1ana tomo el tren Madrid.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mañana voy a Madrid en tren.
    (Mañana voy a Madrid en tren.)
  3. Hint Hint (hacia) El jefe conduce el coche el centro de la ciudad.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    El jefe va hacia el centro de la ciudad en coche.
    (El jefe va hacia el centro de la ciudad en coche.)
  4. Hint Hint (sobre) Estamos en el avif3n. El avif3n vuela la ciudad.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Estamos en el avión. El avión vuela sobre la ciudad.
    (Estamos en el avión. El avión vuela sobre la ciudad.)
  5. Hint Hint (por) Cada maf1ana caminamos el parque para ir a la oficina.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Cada mañana caminamos por el parque para ir a la oficina.
    (Cada mañana caminamos por el parque para ir a la oficina.)
  6. Hint Hint (desde) Mis compaf1eros vienen la estacif3n a la oficina.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Mis compañeros vienen desde la estación hasta la oficina.
    (Mis compañeros vienen desde la estación hasta la oficina.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: In tweetallen, vraag en leg uit hoe jullie elke dag naar het werk gaan.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Eres nuevo en la ciudad y hablas con un compañero sobre cómo llegar al trabajo.
(Je bent nieuw in de stad en praat met een collega over hoe je naar je werk gaat.)

Bespreek
  • ¿Desde dónde vas al trabajo y a qué sitio concreto vas? (Vanwaar vertrek je naar je werk en naar welke exacte plek ga je?)
  • ¿Vas en metro, en coche, en autobús o a pie? ¿Por dónde pasas habitualmente? (Ga je met de metro, met de auto, met de bus of te voet? Welke route neem je gewoonlijk?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Voy en metro / en autobús / en coche / a pie. (Ik ga met de metro / met de bus / met de auto / te voet.)
  • Voy a la oficina / al centro / a la estación de tren. (Ik ga naar kantoor / naar het centrum / naar het treinstation.)
  • Paso por el parque / por la calle Mayor / hacia la plaza. (Ik kom langs het park / langs de Calle Mayor / richting het plein.)

Gebruik in gesprek
  • ir + en (medio de transporte) (ir + en (middel van vervoer))
  • ir + a (destino) (ir + a (bestemming))
  • por / hacia / desde (recorrido y origen) (por / hacia / desde (route en herkomst))

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage