Wortschatz (21)

De bloem

De bloem Anzeigen

Das Mehl Anzeigen

De boter

De boter Anzeigen

Die Butter Anzeigen

De olie

De olie Anzeigen

Das Öl Anzeigen

De gist

De gist Anzeigen

Die Hefe Anzeigen

De suiker

De suiker Anzeigen

Der Zucker Anzeigen

De slagroom

De slagroom Anzeigen

Die Schlagsahne Anzeigen

De ingrediënten

De ingrediënten Anzeigen

Die Zutaten Anzeigen

Een snufje zout

Een snufje zout Anzeigen

Eine Prise Salz Anzeigen

Kilogram

Kilogram Anzeigen

Kilogramm Anzeigen

Het recept

Het recept Anzeigen

Das Rezept Anzeigen

Huisgemaakt

Huisgemaakt Anzeigen

Hausgemacht Anzeigen

Mengen

Mengen Anzeigen

Mischen Anzeigen

Snijden

Snijden Anzeigen

Schneiden Anzeigen

Draaien

Draaien Anzeigen

Drehen Anzeigen

Omdraaien

Omdraaien Anzeigen

Umdrehen Anzeigen

Moeten

Moeten Anzeigen

Müssen Anzeigen

Kunnen

Kunnen Anzeigen

Können Anzeigen

Moeten (müssen)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) moet
(jij/je) moet
(hij/zij/ze/het) moet
(wij/we) moeten
(jullie) moeten
(zij/ze) moeten

Kunnen (können)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) kan
(jij/je) kunt
(hij/zij/ze/het) kan
(wij/we) kunnen
(jullie) kunnen
(zij/ze) kunnen

Mogen (mogen)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) mag
(jij/je) mag
(hij/zij/ze/het) mag
(wij/we) mogen
(jullie) mogen
(zij/ze) mogen