A1.36 - Zimmerpflanzen und Gartenpflanzen
Kamerplanten en tuinplanten
1. Sprachimmersion
A1.36.1 Aktivität
Zimmerpflanzen pflegen
3. Grammatik
A1.36.2 Grammatik
Sein am + Infinitiv
Schlüsselverb
Zaaien (säen)
4. Übungen
Übung 1: Korrespondenz verfassen
Anleitung: Schreibe eine Antwort auf folgende Nachricht, die der Situation angemessen ist.
WhatsApp: Du bekommst eine WhatsApp von deiner Kollegin, die in den Urlaub fährt und dich bittet, ihre Zimmerpflanzen zu versorgen; antworte auf die Nachricht und stelle beruhigend drei kurze Fragen.
Hoi [naam],
Volgende week ben ik twee weken op vakantie. Kun jij op kantoor mijn planten water geven?
Ik heb één grote plant bij het raam en twee kleine bloemen op mijn bureau. De grote plant heeft twee keer per week water nodig. De kleine bloemen één keer per week.
Zet de grote plant niet in de volle zon. De aarde moet een beetje droog zijn. Als je wilt, kan ik je morgen alles laten zien.
Groetjes,
Anna
Hoi [naam],
Nächste Woche bin ich zwei Wochen im Urlaub. Kannst du im Büro meine Pflanzen gießen?
Ich habe eine große Pflanze am Fenster und zwei kleine Blumen auf meinem Schreibtisch. Die große Pflanze braucht zweimal pro Woche Wasser. Die kleinen Blumen einmal pro Woche.
Stell die große Pflanze nicht in die pralle Sonne. Die Erde sollte ein bisschen trocken sein. Wenn du magst, kann ich dir morgen alles zeigen.
Liebe Grüße,
Anna
Verstehe den Text:
-
Welke planten heeft Anna op kantoor en waar staan ze?
(Welche Pflanzen hat Anna im Büro und wo stehen sie?)
-
Hoe vaak moet de student de grote plant en de kleine bloemen water geven?
(Wie oft muss die Lernende/der Lernende die große Pflanze und die kleinen Blumen gießen?)
Nützliche Redewendungen:
-
Hoi Anna, bedankt voor je bericht.
(Hoi Anna, danke für deine Nachricht.)
-
Ik kan je planten water geven.
(Ich kann deine Pflanzen gießen.)
-
Kun je nog zeggen … ?
(Kannst du noch sagen … ?)
Ja, ik kan jouw planten water geven. Ik ben elke week op kantoor.
Ik heb nog een paar vragen: op welke dagen geef ik de grote plant water? En welke dag is goed voor de bloemen? Moet ik ook de bladeren schoonmaken, of is dat niet nodig?
Laat het morgen even zien, dan is alles duidelijk.
Groetjes,
[je naam]
Hoi Anna,
Ja, ich kann deine Pflanzen gießen. Ich bin jede Woche im Büro.
Ich habe noch ein paar Fragen: An welchen Tagen gieße ich die große Pflanze? Und welcher Tag passt für die Blumen? Soll ich auch die Blätter säubern, oder ist das nicht nötig?
Zeig es mir morgen kurz, dann ist alles klar.
Liebe Grüße,
[dein Name]
Übung 2: Ein Wort zuordnen
Anleitung: Ordne jeden Anfang mit dem richtigen Ende zu.
Übung 3: Mehrfachauswahl
Anleitung: Wählen Sie die richtige Lösung
1. Ik ___ zaad in de tuin aan het zaaien, want ik wil in de lente bloemen.
(Ich ___ Samen im Garten zu säen, weil ich im Frühling Blumen haben möchte.)2. Mijn collega ___ de kamerplanten water aan het geven op kantoor.
(Mein Kollege ___ im Büro die Zimmerpflanzen zu gießen.)3. In het weekend ___ wij nieuwe bloemen in de achtertuin aan het zaaien.
(Am Wochenende ___ wir neue Blumen im Hintergarten zu säen.)4. Bij het tuincentrum ___ zij de planten buiten aan het sproeien.
(Beim Gartencenter ___ sie die Pflanzen draußen zu besprühen.)Übung 4: Dialogkarten
Anleitung: Wähle eine Situation aus und übe das Gespräch mit deinem Lehrer oder deinen Mitschülern.
Nieuwe kamerplant voor thuiswerkplek
Klant: Anzeigen Goedemorgen, ik zoek een kleine plant voor op mijn bureau.
(Guten Morgen, ich suche eine kleine Pflanze für meinen Schreibtisch.)
Medewerker tuincentrum: Anzeigen Goedemorgen, deze plant is makkelijk, u geeft de plant één keer per week water.
(Guten Morgen, diese Pflanze ist pflegeleicht. Sie gießen sie einmal pro Woche.)
Klant: Anzeigen Moet ik ook elke dag sproeien, of is dat te veel?
(Muss ich sie auch jeden Tag besprühen, oder wäre das zu viel?)
Medewerker tuincentrum: Anzeigen Niet elke dag, alleen een beetje sproeien in de zomer is genoeg.
(Nicht jeden Tag. Im Sommer reicht es, sie ein wenig zu besprühen.)
Offene Fragen:
1. Heb jij een plant op je bureau of in je woonkamer? Welke plant is dat?
Hast du eine Pflanze auf deinem Schreibtisch oder im Wohnzimmer? Welche Pflanze ist das?
2. Hoe vaak geef jij jouw planten water thuis?
Wie oft gießt du deine Pflanzen zu Hause?
Praatje over planten in de achtertuin
Buurman: Anzeigen Hoi Anna, jouw tuin is mooi, ik zie veel bloemen en een grote boom.
(Hallo Anna, dein Garten ist schön. Ich sehe viele Blumen und einen großen Baum.)
Buurvrouw: Anzeigen Dank je, ik zaai in het voorjaar veel zaad in de aarde.
(Danke, im Frühjahr säe ich viele Samen in die Erde.)
Buurman: Anzeigen Ik vergeet vaak de planten water te geven, mijn planten zijn snel droog.
(Ich vergesse oft, den Pflanzen Wasser zu geben; meine Pflanzen werden schnell trocken.)
Buurvrouw: Anzeigen Ik geef elke avond water, dan blijven de bladeren groen en sterk.
(Ich gieße jeden Abend, dann bleiben die Blätter grün und kräftig.)
Offene Fragen:
1. Heb jij een tuin of balkon met planten? Wat staat daar?
Hast du einen Garten oder einen Balkon mit Pflanzen? Was steht dort?
2. Wanneer geef jij de planten in je tuin of op je balkon water?
Wann gießt du die Pflanzen in deinem Garten oder auf deinem Balkon?
Übung 5: Auf die Situation reagieren
Anleitung: Übe zu zweit oder mit deiner Lehrkraft.
1. Je bent op kantoor. Jij wilt graag een plant in jouw kamer, maar je hebt weinig tijd. Je collega vraagt: “Wat voor plant wil jij?” Antwoord. (Gebruik: De plant, weinig water, op kantoor)
(Du bist im Büro. Du möchtest gern eine Pflanze in deinem Zimmer haben, aber du hast wenig Zeit. Dein Kollege fragt: „Was für eine Pflanze möchtest du?“ Antworte. (Verwende: Die Pflanze, wenig Wasser, im Büro))Ik wil graag
(Ich möchte gern ...)Beispiel:
Ik wil graag een plant die weinig water nodig heeft op kantoor.
(Ich möchte gern eine Pflanze, die wenig Wasser braucht, für das Büro.)2. Je woont in een appartement in Nederland met een klein balkon. Een buurvrouw vraagt: “Wat heb jij op het balkon?” Vertel iets. (Gebruik: De bloem, de pot, in de zon)
(Du wohnst in einer Wohnung in den Niederlanden mit einem kleinen Balkon. Eine Nachbarin fragt: „Was hast du auf dem Balkon?“ Erzähle etwas. (Verwende: Die Blume, der Topf, in der Sonne))Op mijn balkon
(Auf meinem Balkon ...)Beispiel:
Op mijn balkon heb ik bloemen in een pot in de zon.
(Auf meinem Balkon habe ich Blumen in einem Topf in der Sonne.)3. Je bent in het tuincentrum. Je zoekt iets groots voor in de tuin van jouw huurhuis. Een medewerker vraagt: “Waar zoekt u naar?” Antwoord. (Gebruik: De boom, de tuin, niet te groot)
(Du bist im Gartencenter. Du suchst etwas Großes für den Garten deines Mietshauses. Ein Mitarbeiter fragt: „Wonach suchen Sie?“ Antworte. (Verwende: Der Baum, der Garten, nicht zu groß))Ik zoek
(Ich suche ...)Beispiel:
Ik zoek een boom voor in de tuin die niet te groot is.
(Ich suche einen Baum für den Garten, der nicht zu groß ist.)4. Je gaat een week op vakantie. Je stuurt een appje naar een vriend in Nederland. Vraag of hij jouw planten goed verzorgt. (Gebruik: De planten water geven, elke dag, bedankt)
(Du fährst eine Woche in den Urlaub. Du schickst eine Nachricht an einen Freund in den Niederlanden. Bitte ihn, deine Pflanzen gut zu versorgen. (Verwende: den Pflanzen Wasser geben, jeden Tag, danke))Kun jij alsjeblieft
(Kannst du bitte ...)Beispiel:
Kun jij alsjeblieft mijn planten water geven, elke dag een beetje? Heel erg bedankt.
(Kannst du bitte meinen Pflanzen jeden Tag etwas Wasser geben? Vielen Dank.)Übung 6: Schreibübung
Anleitung: Schreiben Sie 4 oder 5 Sätze über Ihre eigenen Pflanzen zu Hause oder im Büro und wie Sie diese pflegen.
Nützliche Ausdrücke:
Ik heb een plant op mijn bureau / balkon / in de tuin. / Ik geef mijn planten … keer per week water. / Mijn plant staat in de zon / in de schaduw / op een lichte plek. / Ik wil meer leren over kamerplanten en tuinplanten.
Oefening 7: Gesprächsübung
Instructie:
- Zeg wat je in de tuin kunt zien. (Sag, was du im Garten siehst.)
- Beschrijf je eigen of je ideale tuin. (Beschreiben Sie Ihren eigenen oder Ihren idealen Garten.)
Unterrichtsrichtlinien +/- 10 Minuten
Anweisungen für den Lehrer
- Lies die Beispielsätze laut vor.
- Beantworte die Fragen zum Bild.
- Die Studenten können diese Übung auch als schriftlichen Text für die nächste Klasse vorbereiten.
Beispielsätze:
|
Er zijn paarse bloemen in de tuin. Im Garten gibt es violette Blumen. |
|
Er is een grote oude boom. Es gibt einen großen alten Baum. |
|
Ik heb gele en roze bloemen in mijn tuin. Ich habe gelbe und pinke Blumen in meinem Garten. |
|
Ik heb een schommel in mijn tuin voor mijn kinderen. Ich habe eine Schaukel in meinem Garten für meine Kinder. |
|
Ik heb geen cactussen in mijn tuin. Ich habe keine Kakteen in meinem Garten. |
|
Ik water mijn planten elke 3 dagen. Ich gieße meine Pflanzen alle 3 Tage. |
| ... |