Übung 1: Ein Wort zuordnen

Anleitung: Ordne jeden Anfang mit dem richtigen Ende zu.

Ik heb een boodschappenlijst met brood, melk en groente. (Ich habe eine Einkaufsliste mit Brot, Milch und Gemüse.)
Bij de kassa sta ik achter een lange rij. (An der Kasse stehe ich in einer langen Schlange.)
Waar vind ik de yoghurt en de koekjes? (Wo finde ich den Joghurt und die Kekse?)
Ik heb geen winkelkarretje, mag ik deze even gebruiken? (Ich habe keinen Einkaufswagen, darf ich diesen kurz benutzen?)

Übung 2: Prüfungsvorbereitung

Anleitung: Lies den Text, fülle die Lücken mit den fehlenden Wörtern und beantworte die untenstehenden Fragen.


Folder van supermarkt De Hoek: Boodschappen voor het weekend

Fülle die Lücken aus: zalm, kassa, kaas, winkelkarretje, komkommer, boodschappenlijst, koekjes, yoghurt, worst

(Prospekt des Supermarkts De Hoek: Einkäufe fürs Wochenende)

Dit weekend heeft supermarkt De Hoek extra aanbiedingen. In de groente- en fruitafdeling koopt u verse , sla en appels. In het koelschap vindt u melk, en . De visafdeling heeft deze week betaalbare en vissticks. Bij het vlees ligt ook voor op brood.

Maak thuis een en neem een of een mandje mee. Stop eerst de koele producten in het karretje: melk, yoghurt, kaas en vis. Daarna pakt u groente, fruit en . Bij de kunt u contant betalen of pinnen. Vergeet de tas niet bij het afrekenen.
An diesem Wochenende hat der Supermarkt De Hoek besondere Angebote. In der Obst- und Gemüseabteilung erhalten Sie frische Gurken, Salat und Äpfel. Im Kühlregal finden Sie Milch, Joghurt und Käse. Die Fischabteilung bietet diese Woche preiswerten Lachs und Fischstäbchen. Bei den Fleischwaren liegt außerdem Wurst zum Aufschnitt.

Erstellen Sie zu Hause eine Einkaufsliste und nehmen Sie einen Einkaufswagen oder einen Korb mit. Legen Sie zuerst die gekühlten Produkte in den Wagen: Milch, Joghurt, Käse und Fisch. Danach nehmen Sie Gemüse, Obst und Kekse. An der Kasse können Sie bar bezahlen oder mit Karte. Vergessen Sie die Tasche beim Bezahlen nicht.

Übung 3: Hören Sie zu und beantworten Sie die Fragen

Anleitung: Hören Sie sich die Audiofragmente an und wählen Sie die richtige Antwort auf die Fragen.

1. Ik kijk naar mijn boodschappenlijst. Ik heb brood, yoghurt en groente nodig. In de supermarkt pak ik ook koekjes, want ze zijn in de aanbieding.

Wat koopt de vrouw extra, naast haar lijst?

(Was kauft die Frau zusätzlich zu ihrer Liste?)
2. Hallo, ik zoek de groente. Waar staan de tomaten en de sla? Ik zie fruit, maar ik vind geen groente in deze gang.

Wat vraagt de man aan de medewerker?

(Was fragt der Mann den Mitarbeiter?)

Übung 4: Mehrfachauswahl

Anleitung: Wählen Sie die richtige Lösung

1. Ik ___ elke zaterdag groente en fruit in de supermarkt.

(Ik ___ elke zaterdag groente en fruit in de supermarkt.)

2. Wij ___ vandaag brood, melk en yoghurt voor het ontbijt.

(Wij ___ vandaag brood, melk en yoghurt voor het ontbijt.)

3. Mijn vriendin ___ vaak op de markt, want daar is het vlees goedkoop.

(Mijn vriendin ___ vaak op de markt, want daar is het vlees goedkoop.)

Übung 5: Dialogkarten

Anleitung: Übe das Gespräch mit deinem Lehrer oder deinen Mitschülern.

Übung 6: Auf die Situation reagieren

Anleitung: Übe zu zweit oder mit deiner Lehrkraft.

1. Je bent in de supermarkt. Jij wilt vanavond koken en je maakt een boodschappenlijst. Zeg tegen je partner wat je nodig hebt voor het eten. (Gebruik: de boodschappenlijst, nodig hebben, het fruit)

(Du bist im Supermarkt. Du möchtest heute Abend kochen und machst eine Einkaufsliste. Sag deinem Partner, was du für das Essen brauchst. (Gebruik: de boodschappenlijst, nodig hebben, het fruit))

Op de boodschappenlijst    

(Op de boodschappenlijst ...)

Beispiel:

Op de boodschappenlijst staan brood, melk, appels en rijst.

(Op de boodschappenlijst staan brood, melk, appels en rijst.)

2. Je bent bij de groente in de supermarkt. Je ziet tomaten, maar je ziet geen komkommer. Je vraagt een medewerker om hulp. (Gebruik: nodig hebben, de groente, waar is?)

(Du stehst bei den Gemüseabteilungen im Supermarkt. Du siehst Tomaten, aber keine Gurken. Du fragst eine Mitarbeiterin oder einen Mitarbeiter um Hilfe. (Gebruik: nodig hebben, de groente, waar is?))

Ik heb    

(Ik heb ...)

Beispiel:

Ik heb een komkommer nodig. Waar is de komkommer?

(Ik heb een komkommer nodig. Waar is de komkommer?)

Übung 7: Korrespondenz verfassen

Anleitung: Schreibe eine Antwort auf folgende Nachricht, die der Situation angemessen ist.


Hoi [naam],

Ik ga zo naar de supermarkt en ook even naar de markt.

Heb jij nog boodschappen nodig voor dit weekend?
Ik koop zelf al melk, yoghurt, groente en fruit.

Wil je ook iets? Bijvoorbeeld brood, vis, vlees of koekjes?
Schrijf het hier. Dan neem ik het voor je mee.

Ik reken bij de kassa af. Je kunt later aan mij betalen.

Groetjes,
Sanne


Hoi [naam],

Ik ga zo naar de supermarkt en ook even naar de markt.

Heb jij nog boodschappen nodig voor dit weekend?
Ik koop zelf al melk, yoghurt, groente en fruit.

Wil je ook iets? Bijvoorbeeld brood, vis, vlees of koekjes?
Schrijf het hier. Dan neem ik het voor je mee.

Ik reken bij de kassa af. Je kunt later aan mij betalen.

Groetjes,
Sanne


Nützliche Redewendungen:

  1. Hoi Sanne, dank je. Ik wil graag...

    (Hoi Sanne, dank je. Ik wil graag...)

  2. Ik heb nodig: ...

    (Ik heb nodig: ...)

  3. Kun je vragen waar de ... staat?

    (Kun je vragen waar de ... staat?)

Hoi Sanne, dank je wel.

Ik heb dit weekend boodschappen nodig. Ik wil graag:
- één pak melk
- één brood
- appels
- koekjes

Kun je in de supermarkt ook vragen waar de rijst staat? Ik kan het nooit vinden.

Je mag alles meenemen. Ik betaal je vanavond contant.

Groetjes,
[je naam]

Hoi Sanne, dank je wel.

Ich brauche dieses Wochenende Lebensmittel. Ich hätte gern:
- eine Packung Milch
- ein Brot
- Äpfel
- Kekse

Kannst du im Supermarkt auch fragen, wo der Reis steht? Ich finde ihn nie.

Du kannst alles mitnehmen. Ich bezahle dir heute Abend bar.

Liebe Grüße,
[dein Name]