A1.42.1 - Mobilität in einer modernen Stadt
Mobiliteit in een moderne stad
Übung 1: Sprachimmersion
Anleitung: Erkenne das angezeigte Vokabular im Video.
| Wort | Übersetzung |
|---|---|
| Het mobiliteitsgebruik in de steden | Die Nutzung von Verkehrsmitteln in Städten |
| Wandelen | Zu Fuß gehen |
| Fietsen | Radfahren |
| De vormen van mobiliteit | Formen der Mobilität |
| De auto | Das Auto |
| Het openbaar vervoer | Öffentlicher Verkehr |
| In veel steden verandert het gebruik van vervoer. | (In vielen Städten verändert sich die Nutzung von Verkehrsmitteln.) |
| Vroeger maakten we vooral wegen voor de auto. | (Früher bauten wir vor allem Straßen für das Auto.) |
| Nu denken steden meer aan wandelen en fietsen. | (Heute denken Städte mehr an Zu-Fuß-Gehen und Fahrradfahren.) |
| In een grote stad zoals Amsterdam is de fiets heel belangrijk. | (In einer Großstadt wie Amsterdam ist das Fahrrad sehr wichtig.) |
| In Utrecht komen er veel nieuwe woningen met groen, en de auto staat verder weg. | (In Utrecht entstehen viele neue Wohnungen mit Grünflächen, und das Auto rückt weiter weg.) |
| In Groningen gebruiken veel mensen de fiets en het openbaar vervoer om naar de stad te gaan. | (In Groningen nutzen viele Menschen das Fahrrad und den öffentlichen Verkehr, um in die Stadt zu gelangen.) |
| Ook in kleinere steden, bijvoorbeeld Gouda, zijn lopen en fietsen belangrijker geworden. | (Auch in kleineren Städten, zum Beispiel Gouda, sind Gehen und Radfahren wichtiger geworden.) |
| In Gouda zijn er nieuwe routes voor voetgangers, bijvoorbeeld naar het ziekenhuis. | (In Gouda gibt es neue Fußgängerwege, zum Beispiel zum Krankenhaus.) |
| Steeds meer steden geven meer ruimte aan fietsers en voetgangers. | (Immer mehr Städte geben Radfahrern und Fußgängern mehr Platz.) |
| Deze veranderingen gaan langzaam, maar ze zijn belangrijk voor de toekomst. | (Diese Veränderungen erfolgen langsam, aber sie sind wichtig für die Zukunft.) |
Verständnisfragen:
-
Waarom willen veel steden nu meer ruimte geven aan voetgangers en fietsers?
(Warum wollen viele Städte jetzt mehr Platz für Fußgänger und Radfahrer schaffen?)
-
Noem twee steden uit de tekst en leg kort uit welk vervoer daar belangrijk is.
(Nenne zwei Städte aus dem Text und erkläre kurz, welches Verkehrsmittel dort wichtig ist.)
-
Wat verandert er in Utrecht met de auto en het groen bij nieuwe woningen?
(Was ändert sich in Utrecht in Bezug auf das Auto und das Grün bei neuen Wohnungen?)
Übung 2: Dialog
Anleitung: Lesen Sie den Dialog und beantworten Sie die Fragen.
Reis naar Rotterdam
| 1. | Marnick: | Hoi Eline, hoe gaat het met je? | (Hoi Eline, hoe gaat het met je?) |
| 2. | Eline: | Hoi Marnick, goed. Maar ik moet morgen naar Rotterdam voor een vergadering. | (Hoi Marnick, goed. Maar ik moet morgen naar Rotterdam voor een vergadering.) |
| 3. | Marnick: | Heb je al een reisplan? Kan ik helpen? | (Heb je al een reisplan? Kan ik helpen?) |
| 4. | Eline: | Dat is lief, dank je. De snelste manier is met de trein, denk ik. Hoelang duurt het ongeveer? | (Dat is lief, dank je. De snelste manier is met de trein, denk ik. Hoelang duurt het ongeveer?) |
| 5. | Marnick: | Het duurt ongeveer veertig minuten van Amsterdam naar Rotterdam. | (Het duurt ongeveer veertig minuten van Amsterdam naar Rotterdam.) |
| 6. | Eline: | Klinkt goed. Waar kan ik een ticket kopen? | (Klinkt goed. Waar kan ik een ticket kopen?) |
| 7. | Marnick: | Je kunt een ticket kopen in de NS-app of bij een automaat op het station. | (Je kunt een ticket kopen in de NS-app of bij een automaat op het station.) |
| 8. | Eline: | Oké. Moet ik een retourticket kopen of alleen een enkeltje? | (Oké. Moet ik een retourticket kopen of alleen een enkeltje?) |
| 9. | Marnick: | Als je dezelfde dag teruggaat, kun je beter een retourticket kopen. | (Als je dezelfde dag teruggaat, kun je beter een retourticket kopen.) |
| 10. | Eline: | Ik blijf de hele dag, dus een retourticket is handig. Hoeveel kost dat ongeveer? | (Ik blijf de hele dag, dus een retourticket is handig. Hoeveel kost dat ongeveer?) |
| 11. | Marnick: | Het kost ongeveer vijfentwintig euro, afhankelijk van het tijdstip. | (Het kost ongeveer vijfentwintig euro, afhankelijk van het tijdstip.) |
| 12. | Eline: | Prima, dat maakt het makkelijk. Dank je wel voor de informatie! | (Prima, dat maakt het makkelijk. Dank je wel voor de informatie!) |
1. Waar gaat Eline morgen naartoe?
(Wohin fährt Eline morgen?)2. Hoe reist Eline volgens het gesprek het snelst naar de vergadering?
(Wie reist Eline laut dem Gespräch am schnellsten zur Besprechung?)Übung 3: Offene Gesprächsfragen
Anleitung: Beantworte die Fragen und korrigiere sie mit deinem Lehrer.
-
Hoe ga je meestal naar je werk en waarom kies je dat vervoer?
Wie kommst du normalerweise zur Arbeit und warum wählst du dieses Verkehrsmittel?
__________________________________________________________________________________________________________
-
Een collega komt voor het eerst naar jouw kantoor in Amsterdam. Leg kort uit hoe hij met het openbaar vervoer kan komen.
Ein Kollege kommt zum ersten Mal in dein Büro in Amsterdam. Erkläre kurz, wie er mit den öffentlichen Verkehrsmitteln dorthin kommt.
__________________________________________________________________________________________________________
-
Volgende week heb je een vergadering in Rotterdam. Welk vervoer kies je en hoe lang duurt de reis ongeveer?
Nächste Woche hast du eine Besprechung in Rotterdam. Welches Verkehrsmittel würdest du wählen und wie lange dauert die Fahrt ungefähr?
__________________________________________________________________________________________________________
-
Je wilt een treinkaartje kopen op het station. Wat zeg je tegen de medewerker aan de balie?
Du willst am Bahnhof eine Fahrkarte kaufen. Was sagst du zum Mitarbeiter am Schalter?
__________________________________________________________________________________________________________
Üben Sie diesen Dialog mit einem echten Lehrer!
Dieser Dialog ist Teil unserer Unterrichtsmaterialien. Während unserer Gesprächsstunden üben Sie die Situationen mit einem Lehrer und anderen Schülern.
- Implementiert CEFR, DELE-Prüfung und Richtlinien des Cervantes-Instituts
- Unterstützt von der Universität Siegen