Nederlanders geven uitleg over hoe zij begroeten in verschillende contexten.
Niederländer erklären, wie sie in verschiedenen Kontexten grüßen.

Übung 1: Sprachimmersion

Anleitung: Sehen Sie sich das Video an und beantworten Sie die zugehörigen Fragen.

Wort Übersetzung
Goedemorgen Goedemorgen
Goedemiddag Goedemiddag
Goedenavond Goedenavond
Fijne avond Fijne avond
Hoi Hoi
Een hand geven Een hand geven
Hoi, hoe gaat het? Hoi, hoe gaat het?
Hé, hey of hai Hé, hey of hai
Ik zeg gewoon: goedemorgen of goedemiddag. Ik ben netjes en vriendelijk. (Ik zeg gewoon: goedemorgen of goedemiddag. Ik ben netjes en vriendelijk.)
In Nederland zeggen we goedemiddag, goedenavond en fijne avond. (In Nederland zeggen we goedemiddag, goedenavond en fijne avond.)
Als het vroeg is, loop ik meestal gewoon naar binnen. (Als het vroeg is, loop ik meestal gewoon naar binnen.)
Dan ben ik nog niet echt aanspreekbaar. (Dan ben ik nog niet echt aanspreekbaar.)
Anders zeg ik gewoon: hoi. (Anders zeg ik gewoon: hoi.)
Bij sommige mensen zeggen we lieve schat. (Bij sommige mensen zeggen we lieve schat.)
Bij anderen zeggen we gewoon: hoi of: Hoe gaat het, meneer? Goedemorgen. (Bij anderen zeggen we gewoon: hoi of: Hoe gaat het, meneer? Goedemorgen.)
We zeggen meestal hai of hoi. (We zeggen meestal hai of hoi.)
Soms zeg ik niks en loop ik de les in en ga ik zitten. (Soms zeg ik niks en loop ik de les in en ga ik zitten.)
Als een leraar goed is en ik een goede band met hem heb, zeg ik goedemiddag en maak ik een klein gesprek. (Als een leraar goed is en ik een goede band met hem heb, zeg ik goedemiddag en maak ik een klein gesprek.)

1. Welke groet gebruikt iemand vaak in Nederland in de middag?

(Welche Begrüßung verwendet man in den Niederlanden oft am Nachmittag?)

2. Wat doet de spreker soms als het vroeg is?

(Was macht der Sprecher manchmal, wenn es früh ist?)

3. Wat doet de spreker soms als hij nog niet aanspreekbaar is?

(Was macht der Sprecher manchmal, wenn er noch nicht ansprechbar ist?)

4. Wanneer maakt de spreker een klein gesprek met de leraar?

(Wann führt der Sprecher ein kurzes Gespräch mit dem Lehrer?)

Übung 2: Dialog

Anleitung: Lesen Sie den Dialog und beantworten Sie die Fragen.

Twee mensen ontmoeten elkaar in de buurt

Zwei Personen treffen sich in der Nachbarschaft
1. Rik: Hoi, goedemorgen! Welkom in de buurt. Wat leuk je te zien. (Hoi, guten Morgen! Willkommen in der Nachbarschaft. Schön, dich zu sehen.)
2. Emma: Hallo! Dank je wel. Ik ben Emma. En jij? (Hallo! Danke schön. Ich bin Emma. Und du?)
3. Rik: Ik heet Rik. Leuk je te ontmoeten. Hoe gaat het? (Ich heiße Rik. Schön, dich kennenzulernen. Wie geht's?)
4. Emma: Goed, dank je. Ik ben net verhuisd. Ik kom uit Eindhoven. (Gut, danke. Ich bin gerade umgezogen. Ich komme aus Eindhoven.)
5. Rik: Ah, wat leuk! Ik woon al drie jaar in deze straat. (Ah, wie schön! Ich wohne seit drei Jahren in dieser Straße.)
6. Emma: Oh, leuk. (Oh, schön.)
7. Rik: Ga je vanavond naar het buurtfeest? (Gehst du heute Abend zum Nachbarschaftsfest?)
8. Emma: Ja, ik zie je daar! (Ja, wir sehen uns dort!)
9. Rik: Ja, gezellig. Tot vanavond! (Ja, schön. Bis heute Abend!)

1. Waar komt Emma vandaan?

(Woher kommt Emma?)

2. Wat zegt Rik aan het einde van het gesprek?

(Was sagt Rik am Ende des Gesprächs?)