Übung 1: Ein Wort zuordnen

Anleitung: Ordne jeden Anfang mit dem richtigen Ende zu.

Voor dit recept heb je bloem, boter en suiker nodig. (Für dieses Rezept brauchst du Mehl, Butter und Zucker.)
Je moet de ingrediënten eerst goed wegen op de weegschaal. (Du musst die Zutaten zuerst auf der Waage gut abwiegen.)
We kunnen samen de boter en suiker rustig mengen. (Wir können die Butter und den Zucker zusammen vorsichtig verrühren.)
Je mag een snufje zout over de bloem strooien. (Du kannst eine Prise Salz über das Mehl streuen.)

Übung 2: Prüfungsvorbereitung

Anleitung: Lies den Text, fülle die Lücken mit den fehlenden Wörtern und beantworte die untenstehenden Fragen.


Recept voor huisgemaakte pannenkoeken

Fülle die Lücken aus: boter, recept, bakt, slagroom, bloem, snufje, moet, ingrediënten, wegen, huisgemaakte, draait, mogen, kunnen

(Rezept für hausgemachte Pfannkuchen)

In het weekend maakt Sanne pannenkoeken voor haar vrienden. Ze leest eerst het . Ze de goed : 400 gram , 2 eieren, melk en een zout. Ze smelt in de pan en mengt alles in een kom tot een glad beslag zonder klontjes.

De pan moet heet zijn voordat ze bakt. Sanne doet een beetje olie of boter in de pan en de pannenkoek; daarna ze hem om. Haar vrienden suiker of stroop op de pannenkoek doen. Ze ook nemen. Iedereen helpt een beetje in de keuken. Na het bakken eten ze samen aan tafel. Het is simpel, maar gezellig.
Am Wochenende macht Sanne hausgemachte Pfannkuchen für ihre Freunde. Zuerst liest sie das Rezept. Sie muss die Zutaten gut abwiegen: 400 Gramm Mehl, 2 Eier, Milch und eine Prise Salz. Sie schmilzt Butter in der Pfanne und rührt alles in einer Schüssel zu einem glatten Teig ohne Klumpen.

Die Pfanne muss heiß sein, bevor sie mit dem Braten beginnt. Sanne gibt etwas Öl oder Butter in die Pfanne und backt den Pfannkuchen; danach wendet sie ihn. Ihre Freunde dürfen Zucker oder Sirup auf den Pfannkuchen geben. Sie können auch Schlagsahne nehmen. Alle helfen ein wenig in der Küche. Nach dem Backen essen sie gemeinsam am Tisch. Es ist einfach, aber gemütlich.

Übung 3: Hören Sie zu und beantworten Sie die Fragen

Anleitung: Hören Sie sich die Audiofragmente an und wählen Sie die richtige Antwort auf die Fragen.

1. Ik wil vanavond brood bakken. Ik moet bloem, gist en een beetje suiker kopen. Boter heb ik al, die hoef ik niet te kopen.

Wat moet de spreker nog in de winkel kopen voor het brood?

(Was muss die Sprecherin noch im Laden für das Brot kaufen?)
2. We maken nu pannenkoeken. Je moet de bloem en de suiker wegen. Daarna mag je alles in een kom doen en rustig mengen met een lepel.

Wat is eerst verplicht in de kookles?

(Was muss zuerst im Kochkurs gemacht werden?)

Übung 4: Mehrfachauswahl

Anleitung: Wählen Sie die richtige Lösung

1. Je bent in de supermarkt en je ______ de ingrediënten voor een taart kopen.

(Du bist im Supermarkt und du ______ die Zutaten für einen Kuchen kaufen.)

2. Ik ______ niet bakken, dus ik volg het recept stap voor stap.

(Ich ______ nicht backen, also folge ich dem Rezept Schritt für Schritt.)

3. Tijdens de kookcursus ______ jullie de boter eerst wegen voordat jullie gaan mengen.

(Während des Kochkurses ______ ihr die Butter zuerst wiegen, bevor ihr sie vermischt.)

Übung 5: Dialogkarten

Anleitung: Übe das Gespräch mit deinem Lehrer oder deinen Mitschülern.

Übung 6: Auf die Situation reagieren

Anleitung: Übe zu zweit oder mit deiner Lehrkraft.

1. Je bent op je werk. Er is een teamlunch. Jij bakt een simpele cake voor je collega’s. Leg aan een collega uit wat je nog moet kopen in de supermarkt. (Gebruik: de ingrediënten, de bloem, de suiker)

(Je bent op je werk. Er is een teamlunch. Jij bakt een simpele cake voor je collega27s. Leg aan een collega uit wat je nog moet kopen in de supermarkt. (Gebruik: de ingrediënten, de bloem, de suiker))

Ik heb nog    

(Ik heb nog ...)

Beispiel:

Ik heb nog de ingrediënten nodig: bloem en suiker voor de cake.

(Ik heb nog de ingrediënten nodig: bloem en suiker voor de cake.)

2. Je kookt thuis met een vriend. Hij roert in de pan, maar doet geen zout in het eten. Zeg wat hij nu moet doen. (Gebruik: moeten, een snufje zout, nu)

(Je kookt thuis met een vriend. Hij roert in de pan, maar doet geen zout in het eten. Zeg wat hij nu moet doen. (Gebruik: moeten, een snufje zout, nu))

Je moet nu    

(Je moet nu ...)

Beispiel:

Je moet nu een snufje zout toevoegen.

(Je moet nu een snufje zout toevoegen.)

Übung 7: Korrespondenz verfassen

Anleitung: Schreibe eine Antwort auf folgende Nachricht, die der Situation angemessen ist.


Hoi Sam, ik ben nu in de supermarkt.

We willen vanavond huisgemaakte pannenkoeken maken. Hebben we nog bloem, melk en boter?

Zo niet, hoeveel gram bloem moet ik kopen? En wil je ook suiker?

Ik sta over 10 minuten bij de kassa. Groetjes, Noor


Hoi Sam, ik ben nu in de supermarkt.

We willen vanavond huisgemaakte pannenkoeken maken. Hebben we nog bloem, melk en boter?

Zo niet, hoeveel gram bloem moet ik kopen? En wil je ook suiker?

Ik sta over 10 minuten bij de kassa. Groetjes, Noor


Nützliche Redewendungen:

  1. We hebben nog …, maar we hebben geen …

    (Wir haben noch …, aber wir haben kein …)

  2. Je moet … kopen.

    (Du musst … kaufen.)

  3. Kun je ook … meenemen?

    (Kannst du auch … mitbringen?)

Hoi Noor, we hebben nog melk, maar we hebben geen boter meer. We hebben bijna geen bloem. Koop alsjeblieft 500 gram bloem en een pak boter. Kun je ook suiker meenemen? Dank je!

Hoi Noor, wir haben noch Milch, aber wir haben keine Butter mehr. Wir haben fast kein Mehl. Kauf bitte 500 Gramm Mehl und eine Packung Butter. Kannst du auch Zucker mitbringen? Danke!