Übung 1: Ein Wort zuordnen

Anleitung: Ordne jeden Anfang mit dem richtigen Ende zu.

Ik eet brood en kaas bij het ontbijt op kantoor. (Ich esse Brot und Käse zum Frühstück im Büro.)
In de pauze drink ik koffie of een kop thee. (In der Pause trinke ich Kaffee oder eine Tasse Tee.)
Ik neem vaak een appel want ik wil iets gezonds. (Ich nehme oft einen Apfel, weil ich etwas Gesundes möchte.)
Bij het avondeten eet ik aardappels maar ik eet geen vlees. (Zum Abendessen esse ich Kartoffeln, aber ich esse kein Fleisch.)

Übung 2: Prüfungsvorbereitung

Anleitung: Lies den Text, fülle die Lücken mit den fehlenden Wörtern und beantworte die untenstehenden Fragen.


Folder van de bedrijfskantine: dagelijks eten

Fülle die Lücken aus: banaan, water, fruit, sla, aardappel, ontbijt, thee, boterham, koffie, melk, avondeten, kaas, appel

(Faltblatt der Betriebskantine: tägliche Verpflegung)

Welkom in de bedrijfskantine!
Elke ochtend serveren we een eenvoudig Nederlands . U kunt een met nemen en daarbij , of drinken. Er is ook . In de pauze kunt u eten, bijvoorbeeld een of een .

Voor het thuis koopt u gemakkelijk eten in de supermarkt. Veel mensen eten met groente, bijvoorbeeld tomaat, komkommer of . U kunt ook brood met kaas eten als u weinig tijd heeft. Let op: sommige gerechten zijn zout, dus proef eerst even. Eet en drink rustig en geniet van uw maaltijd.
Willkommen in der Betriebskantine!
Jeden Morgen servieren wir ein einfaches niederländisches Frühstück. Sie können ein Brot mit Käse nehmen und dazu Kaffee, Tee oder Wasser trinken. Es gibt auch Milch. In der Pause können Sie Obst essen, zum Beispiel einen Apfel oder eine Banane.

Für das Abendessen zu Hause kaufen Sie ganz einfach Lebensmittel im Supermarkt. Viele Menschen essen Kartoffeln mit Gemüse, zum Beispiel Tomaten, Gurken oder Salat. Sie können auch Brot mit Käse essen, wenn Sie wenig Zeit haben. Achtung: manche Gerichte sind salzig, probieren Sie also zuerst. Essen und trinken Sie in Ruhe und genießen Sie Ihre Mahlzeit.

Übung 3: Hören Sie zu und beantworten Sie die Fragen

Anleitung: Hören Sie sich die Audiofragmente an und wählen Sie die richtige Antwort auf die Fragen.

1. Hallo, met Noor van kantoor. Ik maak ontbijt voor op het werk. Ik koop brood en kaas, maar geen eieren. Wil je koffie of thee bij het ontbijt?

Wat neemt Noor mee naar het ontbijt op het werk?

(Was nimmt Noor zum Frühstück mit zur Arbeit?)
2. Na het werk eet ik een simpel avondeten. Ik kook aardappels en wortels en ik drink water, want ik drink nu geen melk. Soms eet ik een appel als toetje.

Wat drinkt de man bij zijn avondeten?

(Was trinkt der Mann zu seinem Abendessen?)

Übung 4: Mehrfachauswahl

Anleitung: Wählen Sie die richtige Lösung

1. Ik ___ thuis en ik drink een kop koffie.

(Ich ___ zu Hause und trinke eine Tasse Kaffee.)

2. In het weekend ___ we laat, maar we drinken veel thee.

(Am Wochenende ___ wir spät, aber wir trinken viel Tee.)

3. Mijn collega ___ water of hij drinkt melk bij zijn lunch.

(Mein Kollege ___ Wasser oder er trinkt Milch zum Mittagessen.)

Übung 5: Dialogkarten

Anleitung: Übe das Gespräch mit deinem Lehrer oder deinen Mitschülern.

Übung 6: Auf die Situation reagieren

Anleitung: Übe zu zweit oder mit deiner Lehrkraft.

1. Je bent op kantoor. Het is ochtend. Een collega vraagt: "Wat eet jij meestal als ontbijt?" Antwoord en vertel kort wat je normaal eet. (Gebruik: het ontbijt, eten, de koffie)

(Je bent op kantoor. Het is ochtend. Een collega vraagt: "Wat eet jij meestal als ontbijt?" Antwoord en vertel kort wat je normaal eet. (Gebruik: het ontbijt, eten, de koffie))

Voor het ontbijt    

(Voor het ontbijt ...)

Beispiel:

Voor het ontbijt eet ik brood en drink ik koffie.

(Voor het ontbijt eet ik brood en drink ik koffie.)

2. Je bent in de supermarkt na het werk. Je hebt geen tijd om lang te koken. Je vraagt een winkelmedewerker om een idee voor een snelle maaltijd met groenten. (Gebruik: de tomaat, de komkommer, het avondeten)

(Je bent in de supermarkt na het werk. Je hebt geen tijd om lang te koken. Je vraagt een winkelmedewerker om een idee voor een snelle maaltijd met groenten. (Gebruik: de tomaat, de komkommer, het avondeten))

Voor het avondeten    

(Voor het avondeten ...)

Beispiel:

Voor het avondeten neem ik brood met tomaat en komkommer.

(Voor het avondeten neem ik brood met tomaat en komkommer.)

Übung 7: Korrespondenz verfassen

Anleitung: Schreibe eine Antwort auf folgende Nachricht, die der Situation angemessen ist.


Hoi! Ik ben nog op kantoor. Kun jij straks even langs de supermarkt?

We hebben thuis nog brood en kaas, maar geen eieren en geen melk. Ik wil vanavond iets simpels: aardappels met sla en tomaat.

Wil jij thee of koffie na het eten? Ik neem zelf water.

Dank je!
Groetjes, Marloes


Hoi! Ik ben nog op kantoor. Kun jij straks even langs de supermarkt?

We hebben thuis nog brood en kaas, maar geen eieren en geen melk. Ik wil vanavond iets simpels: aardappels met sla en tomaat.

Wil jij thee of koffie na het eten? Ik neem zelf water.

Dank je!
Groetjes, Marloes


Nützliche Redewendungen:

  1. Ik kan straks ... halen.

    (Ich kann später ... besorgen.)

  2. Ik eet vanavond ... en ik drink ...

    (Ich esse heute Abend ... und ich trinke ...)

  3. Wil je liever ... of ...?

    (Möchtest du lieber ... oder ...?)

Hoi Marloes,

Ja, ik kan straks naar de supermarkt. Ik haal eieren en melk en ik neem ook tomaat en sla mee. Vanavond eet ik aardappels met sla en tomaat. Ik drink water en na het eten wil ik graag thee.

Groetjes,

Hoi Marloes,

Ja, ich kann später zum Supermarkt gehen. Ich hole Eier und Milch und nehme auch Tomaten und Salat mit. Heute Abend esse ich Kartoffeln mit Salat und Tomate. Ich trinke Wasser und nach dem Essen hätte ich gerne Tee.

Liebe Grüße,