Übung 1: Sätze neu ordnen

Anleitung: Mache richtige Sätze.

Antworten zeigen
1.
meneer? | Wat | uw | telefoonnummer, | is
Wat is uw telefoonnummer, meneer?
(Wie ist Ihre Telefonnummer, Herr?)
2.
e-mailadres | Mijn | jan.de.vries@voorbeeld.nl. | is
Mijn e-mailadres is jan.de.vries@voorbeeld.nl.
(Meine E‑Mail‑Adresse ist jan.de.vries@voorbeeld.nl.)
3.
en uw | postcode? | uw huisnummer | Wat is
Wat is uw huisnummer en uw postcode?
(Wie lautet Ihre Hausnummer und Ihre Postleitzahl?)
4.
mijn contactgegevens | de balie. | vrouw bij | aan de | Ik geef
Ik geef mijn contactgegevens aan de vrouw bij de balie.
(Ich gebe der Frau am Empfang meine Kontaktdaten.)
5.
geboortedatum en | met mijn | Ik ontvang | geboorteplaats. | een brief
Ik ontvang een brief met mijn geboortedatum en geboorteplaats.
(Ich erhalte einen Brief mit meinem Geburtsdatum und meinem Geburtsort.)

Übung 2: Ein Wort zuordnen

Anleitung: Ordne jeden Anfang mit dem richtigen Ende zu.

Wat is je telefoonnummer? Ik noteer het even. (Wie ist deine Telefonnummer? Ich notiere sie kurz.)
Ik geef mijn e-mailadres voor de afspraak bij de gemeente. (Ich gebe meine E-Mail-Adresse für den Termin im Einwohnermeldeamt.)
Wat is je postcode en huisnummer? (Wie ist deine Postleitzahl und Hausnummer?)
Ik ontvang een e-mail met het contact van HR. (Ich bekomme eine E-Mail mit dem Kontakt von HR.)

Übung 3: Hören Sie zu und beantworten Sie die Fragen

Anleitung: Hören Sie sich die Audiofragmente an und wählen Sie die richtige Antwort auf die Fragen.

1. Hallo, u spreekt met dokter De Vries. Ik bel over uw afspraak. Kunt u mij uw telefoonnummer en uw postcode geven, alstublieft?

Wat vraagt de man aan de andere persoon?

(Wat vraagt de man aan de andere persoon?)
2. Hoi, ik ben Anna, de nieuwe collega bij HR. Mijn e-mailadres is a.peters@office.nl en mijn kantooradres is Marktstraat 10 in Utrecht.

Welke contactinformatie geeft de vrouw?

(Welke contactinformatie geeft de vrouw?)

Übung 4: Mehrfachauswahl

Anleitung: Wählen Sie die richtige Lösung

1. Ik ___ mijn e-mailadres aan de medewerker van het gemeentehuis.

(Ik ___ mijn e-mailadres aan de medewerker van het gemeentehuis.)

2. ___ jij je nieuwe telefoonnummer naar je collega?

(___ jij je nieuwe telefoonnummer naar je collega?)

3. De vrouw ___ een brief met haar nieuwe huisnummer.

(De vrouw ___ een brief met haar nieuwe huisnummer.)

Übung 5: Dialogkarten

Anleitung: Übe das Gespräch mit deinem Lehrer oder deinen Mitschülern.

Übung 6: Auf die Situation reagieren

Anleitung: Übe zu zweit oder mit deiner Lehrkraft.

1. Je belt naar de huisartsenpraktijk. De assistent vraagt om jouw telefoonnummer voor een terugbelverzoek. Geef je nummer. (Gebruik: het telefoonnummer, bellen, mobiel)

(Du rufst in der Hausarztpraxis an. Die Praxisassistentin fragt nach deiner Telefonnummer für einen Rückruf. Nenne deine Nummer. (Gebruik: het telefoonnummer, bellen, mobiel))

Mijn telefoonnummer is    

(Meine Telefonnummer ist ...)

Beispiel:

Mijn telefoonnummer is 06 12 34 56 78.

(Meine Telefonnummer ist 06 12 34 56 78.)

2. Je staat bij de receptie voor een sollicitatiegesprek. De receptionist vraagt naar jouw adres. Noem je straat en huisnummer. (Gebruik: het huisnummer, de straat, het adres)

(Du stehst an der Rezeption zum Vorstellungsgespräch. Die Empfangsdame fragt nach deiner Adresse. Nenne deine Straße und Hausnummer. (Gebruik: het huisnummer, de straat, het adres))

Mijn adres is    

(Meine Adresse ist ...)

Beispiel:

Mijn adres is Korte Straat 15.

(Meine Adresse ist Korte Straat 15.)