Wortschatz (12)
Rijden (fahren)
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
| (ik) rijd |
| (jij/je) rijdt |
| (hij/zij/ze/het) rijdt |
| (wij/we) rijden |
| (jullie) rijden |
| (zij/ze) rijden |
Vliegen (fliegen)
Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)
| (ik) vlieg |
| (jij/je) vliegt |
| (hij/zij/ze/het) vliegt |
| (wij/we) vliegen |
| (jullie) vliegen |
| (zij/ze) vliegen |