1. Sprachimmersion

2. Wortschatz (23)

De aardappel

De aardappel Anzeigen

Die Kartoffel Anzeigen

De appel

De appel Anzeigen

Der Apfel Anzeigen

De banaan

De banaan Anzeigen

Die Banane Anzeigen

Het brood

Het brood Anzeigen

Das Brot Anzeigen

De kaas

De kaas Anzeigen

Der Käse Anzeigen

De koffie

De koffie Anzeigen

Der Kaffee Anzeigen

De komkommer

De komkommer Anzeigen

Die Gurke Anzeigen

De knoflook

De knoflook Anzeigen

Der Knoblauch Anzeigen

De melk

De melk Anzeigen

Die Milch Anzeigen

Het ontbijt

Het ontbijt Anzeigen

Das Frühstück Anzeigen

Het avondeten

Het avondeten Anzeigen

Das Abendessen Anzeigen

De paprika

De paprika Anzeigen

Die Paprika Anzeigen

De sinaasappel

De sinaasappel Anzeigen

Die Orange Anzeigen

De sla

De sla Anzeigen

Der Salat Anzeigen

De tomaat

De tomaat Anzeigen

Die Tomate Anzeigen

De ui

De ui Anzeigen

Die Zwiebel Anzeigen

De wortel

De wortel Anzeigen

Die Karotte Anzeigen

Het zout

Het zout Anzeigen

Das Salz Anzeigen

Het water

Het water Anzeigen

Das Wasser Anzeigen

De thee

De thee Anzeigen

Der Tee Anzeigen

De eieren

De eieren Anzeigen

Die Eier Anzeigen

Drinken

Drinken Anzeigen

Trinken Anzeigen

4. Übungen

Übung 1: Prüfungsvorbereitung

Anleitung: Lies den Text, fülle die Lücken mit den fehlenden Wörtern und beantworte die untenstehenden Fragen.


Nieuwsbrief van de bedrijfskantine

Wörter zu verwenden: water, ontbijt, salade, zout, appel, melk, lunch, soep, fruit, koffie

(Newsletter der Betriebskantine)

In onze bedrijfskantine is er elke dag een simpel menu. Veel collega’s eten bij het een boterham met kaas en drinken een kop of thee. Er is ook en , zoals een of een banaan. De meeste mensen nemen bij het werken, want dat is gezond.

Voor de eet je hier vaak brood met kaas of ei, maar er is ook een met tomaat, komkommer en sla. Wil je iets warms, dan is er soms met brood. In de kantine staat minder op tafel, want we willen gezond eten en drinken op het werk.
In unserer Betriebskantine gibt es jeden Tag ein einfaches Menü. Viele Kolleginnen und Kollegen essen zum Frühstück ein Butterbrot mit Käse und trinken eine Tasse Kaffee oder Tee. Es gibt auch Milch und Obst , zum Beispiel einen Apfel oder eine Banane. Die meisten Menschen trinken bei der Arbeit Wasser , weil das gesund ist.

Zum Mittagessen isst man hier oft Brot mit Käse oder Ei, aber es gibt auch einen Salat mit Tomate, Gurke und Blattsalat. Wenn du etwas Warmes möchtest, gibt es manchmal Suppe mit Brot. In der Kantine steht weniger Salz auf dem Tisch, weil wir bei der Arbeit gesund essen und trinken wollen.

  1. Wat eet en drink jij meestal in de ochtend op je werk?

    (Was isst und trinkst du normalerweise morgens bei der Arbeit?)

  2. Waarom staat er in de kantine minder zout op tafel?

    (Warum steht in der Kantine weniger Salz auf dem Tisch?)

  3. Wat lijkt jou lekker in deze kantine: brood, salade of soep? En waarom?

    (Was würdest du in dieser Kantine lieber essen: Brot, Salat oder Suppe? Und warum?)

Übung 2: Ein Wort zuordnen

Anleitung: Ordne jeden Anfang mit dem richtigen Ende zu.

Ik ontbijt meestal met brood en een kop koffie. (Ich frühstücke meistens Brot und eine Tasse Kaffee.)
In de kantine neem ik vaak een salade met tomaat en komkommer. (In der Kantine nehme ich oft einen Salat mit Tomaten und Gurken.)
’s Avonds kook ik aardappelen en groente, want ik wil gezond eten. (Abends koche ich Kartoffeln und Gemüse, weil ich gesund essen möchte.)
Ik drink geen frisdrank, maar ik drink veel water. (Ich trinke keine Limonade, aber ich trinke viel Wasser.)

Übung 3: Mehrfachauswahl

Anleitung: Wählen Sie die richtige Lösung

1. Ik ___ elke ochtend om zeven uur en ik drink dan koffie.

(Ich ___ jeden Morgen um sieben Uhr und trinke dann Kaffee.)

2. In het hotel ___ we samen, maar hij drinkt geen koffie.

(Im Hotel ___ wir zusammen, aber er trinkt keinen Kaffee.)

3. Zij ___ water bij het avondeten, want zij drinkt geen wijn.

(Sie ___ Wasser zum Abendessen, denn sie trinkt keinen Wein.)

4. ___ jij ’s ochtends koffie of thee bij het ontbijt?

(___ du morgens Kaffee oder Tee zum Frühstück?)

Übung 4: Dialogkarten

Anleitung: Wähle eine Situation aus und übe das Gespräch mit deinem Lehrer oder deinen Mitschülern.

Übung 5: Auf die Situation reagieren

Anleitung: Übe zu zweit oder mit deiner Lehrkraft.

1. Je bent op kantoor. Een collega vraagt: "Wat eet jij meestal als ontbijt?" Antwoord en zeg wat jij eet en drinkt in de ochtend. (Gebruik: het ontbijt, eten, drinken)

(Du bist im Büro. Eine Kollegin fragt: "Wat eet jij meestal als ontbijt?" Antworte und sage, was du morgens isst und trinkst. (Verwende: het ontbijt, eten, drinken))

Voor het ontbijt eet  

(Voor het ontbijt eet ...)

Beispiel:

Voor het ontbijt eet ik brood met kaas en ik drink koffie.

(Voor het ontbijt eet ik brood met kaas en ik drink koffie.)

2. Je bent bij een eenvoudige lunch in het bedrijf. Een collega vraagt: "Wil je water of iets anders drinken?" Antwoord en zeg wat je graag drinkt bij het eten. (Gebruik: het water, drinken, de koffie/de thee)

(Du bist bei einem einfachen Mittagessen in der Firma. Eine Kollegin fragt: "Wil je water of iets anders drinken?" Antworte und sage, was du gern zum Essen trinkst. (Verwende: het water, drinken, de koffie/de thee))

Bij het eten drink  

(Bij het eten drink ...)

Beispiel:

Bij het eten drink ik liever water, maar soms neem ik ook koffie.

(Bij het eten drink ik liever water, maar soms neem ik ook koffie.)

3. Je bent bij de huisarts. De huisarts vraagt: "Eet u genoeg groente bij het avondeten?" Antwoord en zeg wat je normaal eet. (Gebruik: het avondeten, de tomaat, de sla/de komkommer)

(Du bist beim Hausarzt. Der Arzt fragt: "Eet u genoeg groente bij het avondeten?" Antworte und sage, was du normalerweise zum Abendessen isst. (Verwende: het avondeten, de tomaat, de sla/de komkommer))

Bij het avondeten eet  

(Bij het avondeten eet ...)

Beispiel:

Bij het avondeten eet ik vaak aardappel met tomaat en sla.

(Bij het avondeten eet ik vaak aardappeln mit Tomate und Salat.)

4. Je bent bij vrienden thuis. Iemand vraagt: "Welk fruit eet jij graag op een dag?" Antwoord en zeg welk fruit je vaak eet. (Gebruik: de appel, de banaan, eten)

(Du bist bei Freunden zu Hause. Jemand fragt: "Welk fruit eet jij graag op een dag?" Antworte und sage, welche Früchte du oft isst. (Verwende: de appel, de banaan, eten))

Ik eet graag  

(Ik eet graag ...)

Beispiel:

Ik eet graag een appel in de ochtend en een banaan in de middag.

(Ik eet graag een appel in de ochtend en een banaan in de middag.)

Übung 6: Schreibübung

Anleitung: Schreibe 4 oder 5 Sätze darüber, was du an einem Arbeitstag zum Frühstück und Mittagessen isst und trinkst.

Nützliche Ausdrücke:

Ik ontbijt met … / Op mijn werk eet ik … / Ik drink meestal … / Ik vind … gezond.

Oefening 7: Gesprächsübung

Instructie:

  1. Zeg wat de mensen op de foto doen. (Sagen Sie, was die Personen auf dem Bild machen.)
  2. Noem de namen van de gerechten op de foto's. (Nennen Sie die Namen der Gerichte auf den Bildern.)
  3. Wat eet of drink je? (Was isst oder trinkst du?)

Unterrichtsrichtlinien +/- 10 Minuten

Beispielsätze:

Het meisje eet een boterham.

Das Mädchen isst ein Sandwich.

De man drinkt water.

Der Mann trinkt Wasser.

De jongen eet eieren.

Der Junge isst Eier.

De vrouw drinkt een koffie.

Die Frau trinkt einen Kaffee.

Ik hou van thee bij het ontbijt.

Ich mag Tee zum Frühstück.

Ik drink water.

Ich trinke Wasser.

Ik eet brood met kaas.

Ich esse Brot mit Käse.

...