Übung 1: Ein Wort zuordnen

Anleitung: Ordne jeden Anfang mit dem richtigen Ende zu.

Ik woon op de derde verdieping van dit flatgebouw. (Ich wohne im dritten Stock dieses Wohnhauses.)
Mijn afspraak bij de huisarts is op de vijfde verdieping van het ziekenhuis. (Mein Termin beim Hausarzt ist im fünften Stock des Krankenhauses.)
Het kantoor van mijn manager is op de achtste verdieping van het gebouw. (Das Büro meines Managers ist im achten Stock des Gebäudes.)
Ik herinner me dat de training op de tiende verdieping begint. (Ich erinnere mich, dass das Training im zehnten Stock beginnt.)

Übung 2: Prüfungsvorbereitung

Anleitung: Lies den Text, fülle die Lücken mit den fehlenden Wörtern und beantworte die untenstehenden Fragen.


Afspraak in een kantoorgebouw

Fülle die Lücken aus: derde, eerste, vierde, vierde, eerste, derde, vijfde, tweede, linksaf, herinneren

(Termin in einem Bürogebäude)

U heeft een sollicitatiegesprek in een groot kantoorgebouw in Utrecht. In de e-mail staat: “Meld u bij de receptie op de verdieping.” In de hal ziet u de lift en een bord met: begane grond, , , , en verdieping. U wilt geen fout maken en het gesprek niet missen.

Bij de receptie vraagt u waar het bedrijf is. De medewerker zegt: “Uw gesprek is op de verdieping, kamer 305. Eerst gaat u met de lift omhoog. Daarna gaat u . De kamer is de deur aan de linkerkant.” U herhaalt dit in uw hoofd om het te : “Derde verdieping, kamer 305, vierde deur links.”
Sie haben ein Vorstellungsgespräch in einem großen Bürogebäude in Utrecht. In der E‑Mail steht: „Melden Sie sich an der Rezeption im ersten Stock.“ In der Halle sehen Sie den Aufzug und ein Schild mit: Erdgeschoss, erster, zweiter, dritter, vierter und fünfter Stock. Sie möchten keinen Fehler machen und das Gespräch nicht verpassen.

An der Rezeption fragen Sie, wo die Firma ist. Die Mitarbeiterin/der Mitarbeiter sagt: „Ihr Gespräch ist im dritten Stock, Zimmer 305. Zuerst fahren Sie mit dem Aufzug nach oben. Danach gehen Sie links. Das Zimmer ist die vierte Tür auf der linken Seite.“ Sie wiederholen dies in Gedanken, um es sich zu merken: „Dritter Stock, Zimmer 305, vierte Tür links.“

Übung 3: Hören Sie zu und beantworten Sie die Fragen

Anleitung: Hören Sie sich die Audiofragmente an und wählen Sie die richtige Antwort auf die Fragen.

1. Goedemorgen. U heeft een afspraak met mij op de vierde verdieping. Neem de lift naar boven; mijn kantoor is de tweede deur links.

Waar is het kantoor van de spreker precies?

(Wo genau befindet sich das Büro des Sprechers?)
2. Hallo, u staat vandaag als derde op de lijst. De eerste patiënt komt om negen uur, de tweede en derde volgen direct daarna.

Welke plaats heeft de beller in de volgorde van de patiënten?

(Welche Position hat der Anrufer in der Reihenfolge der Patienten?)

Übung 4: Mehrfachauswahl

Anleitung: Wählen Sie die richtige Lösung

1. Ik ___ mij dat mijn afspraak op de derde verdieping is.

(Ik ___ mij dat mijn afspraak op de derde verdieping is.)

2. Hij ___ zich niet of het de vierde of de vijfde verdieping is.

(Hij ___ zich niet of het de vierde of de vijfde verdieping is.)

3. Wij ___ ons dat de cursus op de tiende verdieping begint.

(Wij ___ ons dat de cursus op de tiende verdieping begint.)

Übung 5: Dialogkarten

Anleitung: Übe das Gespräch mit deinem Lehrer oder deinen Mitschülern.

Übung 6: Auf die Situation reagieren

Anleitung: Übe zu zweit oder mit deiner Lehrkraft.

1. Je hebt een afspraak in een kantoorgebouw. Bij de receptie vraag je op welke verdieping jouw afspraak is. Antwoord met de verdieping. (Gebruik: de eerste / de tweede / de derde, de afspraak, het kantoor)

(Sie haben einen Termin in einem Bürogebäude. An der Rezeption fragen Sie, in welcher Etage Ihr Termin ist. Antworten Sie mit der Etage. (Verwenden: de eerste / de tweede / de derde, de afspraak, het kantoor))

Mijn afspraak is    

(Mijn afspraak is ...)

Beispiel:

Mijn afspraak is op de derde verdieping.

(Mijn afspraak is op de derde verdieping.)

2. Je staat in de wachtrij bij de huisarts. De assistente vraagt: “Bent u aan de beurt?” Zeg dat u de volgende persoon in de rij bent. (Gebruik: de eerste, de tweede, de derde, aan de beurt)

(Sie stehen in der Warteschlange beim Hausarzt. Die Assistentin fragt: „Bent u aan de beurt?“ Sagen Sie, dass Sie die zweite Person in der Reihe sind. (Verwenden: de eerste, de tweede, de derde, aan de beurt))

Ik ben    

(Ik ben ...)

Beispiel:

Ik ben de tweede, dus ik ben bijna aan de beurt.

(Ik ben de tweede, dus ik ben bijna aan de beurt.)

Übung 7: Schreibübung

Anleitung: Schreiben Sie 3 oder 4 Sätze über einen Termin, den Sie in einem Gebäude haben: In welchem Stockwerk ist er und wie finden Sie das Zimmer?

Nützliche Ausdrücke:

Ik heb een afspraak op de ... verdieping. / De kamer is de ... deur links of rechts. / Eerst ga ik met de lift of met de trap. / Daarna ga ik linksaf of rechtsaf.